Inhoud
Introduction............................................................................................................ 2
H1 Navigating the body.......................................................................................... 4
H2 Shoulder & Arm................................................................................................. 6
H3 Forearm & Hand.............................................................................................. 10
H4 Spine & Thorax............................................................................................... 14
H5 Head, Neck & Face.......................................................................................... 19
H6 Pelvis & Thigh................................................................................................. 21
H7 Leg & Foot....................................................................................................... 26
Standaard toets items.......................................................................................... 30
1
,Introduction
Trail Guide to the Body
Prometheus (algemene anatomie en bewegingsapparaat)
Skelet zorgt voor de steun
Gewrichten zorgen voor mobiliteit
Spieren kunnen dergelijke inzetten
Zenuwen sturen de spieren aan (motorische en sensorische functie)
Ook al zien we er allemaal totaal anders uit, onze basis is allemaal hetzelfde
Palperen = onderzoeken en ontdekken door handmatig te betasten
* het structuur lokaliseren
* bewust worden van het structuur
* het structuur beoordelen (conditie en kwaliteit)
Palperen vereist een vatbare handen en vingers, open ogen, luisterende oren,
rustige ademhaling en een rustige geest
Contact maken doe je met sympathieke gevoelige handen
Je kan ook de ene hand op de andere leggen voor meer gevoel en stabiliteit
Kleine structuren kun je lokaliseren met je vingertoppen
Grote structuren kun je lokaliseren met je hele hand
Als je jouw ogen dicht doet dan vergroot je het bewustzijn van jezelf terwijl je aan
het palperen bent
Je moet slim werken en niet hard want anders gaat je mentale en fysieke bewust
zijn achteruit
Visualiseer de toegang en zeg tegen je patiënt wat je voelt
Werk slim door eerst de structuur te lokaliseren op je eigen lichaam voordat je
dat bij je patiënt doet
Probeer te weefsels te voelen met je hand (bij zacht contact maken voel je meer)
Hoe dieper je wil voelen, hoe zachter je contact moet maken (draait om intentie)
Als je een vezelrichting wil waarnemen, beweeg je handen over het oppervlak
Als je een beweging of aanspanning wil voelen, hou je handen rustig op het
oppervlak
Active movement = patiënt beweegt actief terwijl jij palpeert of observeert
Passive movement = Fysiotherapeut beweegt terwijl hij zelf palpeert of
observeert
Resisted movement = patiënt beweegt actief terwijl de fysiotherapeut een zachte weerstand
geeft en palpeert
De huid is het grootste orgaan van de mens en varieert qua dikt, structuur en flexibiliteit
over het hele lichaam
Botten zijn de enige weefsels die constant hard zijn
Skeletspieren bestaan uit vezelslagen, zenuwen en bloedvaten
Spieren hebben 3 dingen waardoor je ze kunt onderscheiden van andere weefsels
* het weefsel heeft een gestreepte structuur
2
,* de richting van de spiervezels die je tijdens het palperen voelt helpt je met het vaststellen
van een specifieke spier
* het weefsels kun je aanspannen en ontspannen
Skeletspier + pees orgaan
Spierbundel weefsel
Spiervezel cel
Spierfibrillen organel
* actine (eiwit)molecuul
* myosine (eiwit)molecuul
Een pees hecht een spier aan een bot en is samengesteld uit dicht bindweefselgevormd in
een bundel
Gewrichtsbanden verbinden botten en gewrichten hun taak is het versterken en
stabiliseren van het gewricht
Gewrichtsbanden zijn ook samengesteld uit dicht bindweefsel , ze hebben een oneven
configuratie
Pees verbindt een spier met een bot terwijl een gewrichtsband een bot met een bot verbindt
Pees staat niet altijd op spanning ligt eraan of de spier op spanning staat of niet
Gewrichtsband staat altijd op spanning
Bindweefsel is een vezelachtig membraam dat zit:
* net onder de huid
* rond spieren en organen
Je hebt 2 soorten bindweefsel
* oppervlakkige bindweefsel laagje vet, zenuwen, bloed en lymfe vezels (net onder de
huid)
* diepe bindweefsel houden spieren samen en scheiden spieren in functie groepen (rond
spieren en organen)
veel bloedvezels en zenuwen
Retinaculum is een weefsel dat een weefsel of een orgaan op zijn plek houdt (de meeste zijn
oppervlakkig)
Retinaculum heeft dwarse vezels die loodrecht naar de pezen lopen
Slagaders kun je voelen doordat je de hartslag voelt in een slagader ligt diep begraven in
je lichaam
Aders kun je voelen omdat ze heel oppervlakkig liggen
Bursa is een met vocht gevuld kussentje tussen een pees en een onderliggende botstructuur
bij een gewricht
Het vermindert wrijving tussen 2 weefsels
Zenuwen zijn buisvormig en mals en mobiel als je er op drukt
Lymfeknopen verzamelen lymfe vloeistof van lymfe vezels ze zijn boonvormig
Gewricht Soort gewricht Latijnse naam
Schoudergewricht Kogelgewricht Gleno-humerale
3
, Ellebooggewricht Condylgewricht/Scharniergewricht/Draaigewrich Cubiti
t
Polsgewricht eivormiggewricht radiocarpea
Heupgewricht Kogelgewricht Coxae
Kniegewricht Scharniergewricht Genus
Enkelgewricht eivormiggewricht culatio talocruralis
Het ellebooggewricht, het kniegewricht en het enkelgewricht zijn onder te verdelen in verschillende gewrichten, zoek
deze op.
H1 Navigating the body
Blz. 20, regio’s van het lichaam
Anatomische positie
Vlakken van het bewegen
Sagittal plane, transversale axis verdeeld het lichaam in een rechter en linker helft
* medial = weefsel dichter bij de middellijn
* lateral = weefsel verder van de middellijn
* Extensie = bewegingen dat de gewrichten open gaan anatomische positie (veel
extension)
* Hyperextensie = bewegingen voorbij de normale bewegingsbereik (vrouwen zijn
hypermobieler)
* Flexie = bewegingen dat de gewrichten gesloten gaan fetal position (veel flexion)
Frontal plane, sagittal axis verdeeld het lichaam in een voorkant en achterkant
* anterior (ventraal) = weefsel verder naar de voorkant
* posterior (dorsaal) = weefsel verder naar de achterkant
* Adductie = bewegingen van een gewricht brengt een ledemaat medial naar de body’s
midline
* Abductie = bewegingen van een gewricht brengt een ledemaat lateral van de body’s
midline
Transverse plane, longitudinal axis verdeeld het lichaam bovenkant en onderkant
4
Introduction............................................................................................................ 2
H1 Navigating the body.......................................................................................... 4
H2 Shoulder & Arm................................................................................................. 6
H3 Forearm & Hand.............................................................................................. 10
H4 Spine & Thorax............................................................................................... 14
H5 Head, Neck & Face.......................................................................................... 19
H6 Pelvis & Thigh................................................................................................. 21
H7 Leg & Foot....................................................................................................... 26
Standaard toets items.......................................................................................... 30
1
,Introduction
Trail Guide to the Body
Prometheus (algemene anatomie en bewegingsapparaat)
Skelet zorgt voor de steun
Gewrichten zorgen voor mobiliteit
Spieren kunnen dergelijke inzetten
Zenuwen sturen de spieren aan (motorische en sensorische functie)
Ook al zien we er allemaal totaal anders uit, onze basis is allemaal hetzelfde
Palperen = onderzoeken en ontdekken door handmatig te betasten
* het structuur lokaliseren
* bewust worden van het structuur
* het structuur beoordelen (conditie en kwaliteit)
Palperen vereist een vatbare handen en vingers, open ogen, luisterende oren,
rustige ademhaling en een rustige geest
Contact maken doe je met sympathieke gevoelige handen
Je kan ook de ene hand op de andere leggen voor meer gevoel en stabiliteit
Kleine structuren kun je lokaliseren met je vingertoppen
Grote structuren kun je lokaliseren met je hele hand
Als je jouw ogen dicht doet dan vergroot je het bewustzijn van jezelf terwijl je aan
het palperen bent
Je moet slim werken en niet hard want anders gaat je mentale en fysieke bewust
zijn achteruit
Visualiseer de toegang en zeg tegen je patiënt wat je voelt
Werk slim door eerst de structuur te lokaliseren op je eigen lichaam voordat je
dat bij je patiënt doet
Probeer te weefsels te voelen met je hand (bij zacht contact maken voel je meer)
Hoe dieper je wil voelen, hoe zachter je contact moet maken (draait om intentie)
Als je een vezelrichting wil waarnemen, beweeg je handen over het oppervlak
Als je een beweging of aanspanning wil voelen, hou je handen rustig op het
oppervlak
Active movement = patiënt beweegt actief terwijl jij palpeert of observeert
Passive movement = Fysiotherapeut beweegt terwijl hij zelf palpeert of
observeert
Resisted movement = patiënt beweegt actief terwijl de fysiotherapeut een zachte weerstand
geeft en palpeert
De huid is het grootste orgaan van de mens en varieert qua dikt, structuur en flexibiliteit
over het hele lichaam
Botten zijn de enige weefsels die constant hard zijn
Skeletspieren bestaan uit vezelslagen, zenuwen en bloedvaten
Spieren hebben 3 dingen waardoor je ze kunt onderscheiden van andere weefsels
* het weefsel heeft een gestreepte structuur
2
,* de richting van de spiervezels die je tijdens het palperen voelt helpt je met het vaststellen
van een specifieke spier
* het weefsels kun je aanspannen en ontspannen
Skeletspier + pees orgaan
Spierbundel weefsel
Spiervezel cel
Spierfibrillen organel
* actine (eiwit)molecuul
* myosine (eiwit)molecuul
Een pees hecht een spier aan een bot en is samengesteld uit dicht bindweefselgevormd in
een bundel
Gewrichtsbanden verbinden botten en gewrichten hun taak is het versterken en
stabiliseren van het gewricht
Gewrichtsbanden zijn ook samengesteld uit dicht bindweefsel , ze hebben een oneven
configuratie
Pees verbindt een spier met een bot terwijl een gewrichtsband een bot met een bot verbindt
Pees staat niet altijd op spanning ligt eraan of de spier op spanning staat of niet
Gewrichtsband staat altijd op spanning
Bindweefsel is een vezelachtig membraam dat zit:
* net onder de huid
* rond spieren en organen
Je hebt 2 soorten bindweefsel
* oppervlakkige bindweefsel laagje vet, zenuwen, bloed en lymfe vezels (net onder de
huid)
* diepe bindweefsel houden spieren samen en scheiden spieren in functie groepen (rond
spieren en organen)
veel bloedvezels en zenuwen
Retinaculum is een weefsel dat een weefsel of een orgaan op zijn plek houdt (de meeste zijn
oppervlakkig)
Retinaculum heeft dwarse vezels die loodrecht naar de pezen lopen
Slagaders kun je voelen doordat je de hartslag voelt in een slagader ligt diep begraven in
je lichaam
Aders kun je voelen omdat ze heel oppervlakkig liggen
Bursa is een met vocht gevuld kussentje tussen een pees en een onderliggende botstructuur
bij een gewricht
Het vermindert wrijving tussen 2 weefsels
Zenuwen zijn buisvormig en mals en mobiel als je er op drukt
Lymfeknopen verzamelen lymfe vloeistof van lymfe vezels ze zijn boonvormig
Gewricht Soort gewricht Latijnse naam
Schoudergewricht Kogelgewricht Gleno-humerale
3
, Ellebooggewricht Condylgewricht/Scharniergewricht/Draaigewrich Cubiti
t
Polsgewricht eivormiggewricht radiocarpea
Heupgewricht Kogelgewricht Coxae
Kniegewricht Scharniergewricht Genus
Enkelgewricht eivormiggewricht culatio talocruralis
Het ellebooggewricht, het kniegewricht en het enkelgewricht zijn onder te verdelen in verschillende gewrichten, zoek
deze op.
H1 Navigating the body
Blz. 20, regio’s van het lichaam
Anatomische positie
Vlakken van het bewegen
Sagittal plane, transversale axis verdeeld het lichaam in een rechter en linker helft
* medial = weefsel dichter bij de middellijn
* lateral = weefsel verder van de middellijn
* Extensie = bewegingen dat de gewrichten open gaan anatomische positie (veel
extension)
* Hyperextensie = bewegingen voorbij de normale bewegingsbereik (vrouwen zijn
hypermobieler)
* Flexie = bewegingen dat de gewrichten gesloten gaan fetal position (veel flexion)
Frontal plane, sagittal axis verdeeld het lichaam in een voorkant en achterkant
* anterior (ventraal) = weefsel verder naar de voorkant
* posterior (dorsaal) = weefsel verder naar de achterkant
* Adductie = bewegingen van een gewricht brengt een ledemaat medial naar de body’s
midline
* Abductie = bewegingen van een gewricht brengt een ledemaat lateral van de body’s
midline
Transverse plane, longitudinal axis verdeeld het lichaam bovenkant en onderkant
4