HOOR- EN WERKCOLLEGE 1
Waarom moeten ET’s sociologie kennen:
Er zijn vier verschillende contexten voor de ergotherapie: (verbreding van
contexten)
1. Individueel instelling (bop 1.3)
2. Individueel thuis (bop 1.1)
3. Organisatie instelling (adviseren qua beleidsmaatregelen)
4. Populatie wijk (werken met kwetsbare ouderen, buurthuizen)
Hierbij heb je verschillende perspectieven: (perspectieven uitbreiden)
1. Individueel perspectief (enabling individual change)
2. Sociaal perspectief (enabling social change)
Ergotherapeuten houden zich bezig met het handelen van mensen en hun systemen
(in bepaalde samenleving)
Sociologen houden zich bezig met de sociale factoren die van invloed zijn op het
handelen van mensen en hun systemen (in bepaalde samenleving)
Ondersteunen en versterken:
Er komt een nieuwe competentie voor ET: de ET ondersteunt leden van een
kwetsbare groep, gemeenschap of populatie om zo de aanwezige mogelijkheden en
eigen regie te versterken en om voorwaarden in de omgeving te creëren, zodat
participatie en sociale inclusie toeneemt.
Hoe komt handelen tot stand?
Drie verschillende gezichtspunten:
1. Biologisch gezichtspunt (door het menselijk lichaam; in staat tot het
uitvoeren van handelingen)
2. Psychologisch gezichtspunt (door de menselijke geest; in staat tot het leren
handelen)
3. Sociologisch gezichtspunt (door de sociale relaties; vormen van een context
waarbinnen het handelen door imitatie geleerd kan
worden)
Maatschappelijke veranderingen:
Houdbaarheid zorgstelsel
Decentralisatie van de zorg (wet op jeugdzorg, AWBZ en WMO, participatiewet)
Van 2e naar 1e naar 0e lijn
Maatschappijgerichte ergotherapie:
Regenboogmodel van Dahlgren en Whitehead: alle factoren die op iemands
gezondheid invloed hebben kan worden veranderd.
- Wetgeving
- Beleidsverandering
- Technische ontwikkelingen (capicity building)
- Verbeterde toegankelijkheid gezondheidzorg, onderwijs, ect
Wat is sociologie:
Sociologie is een wetenschap, houdt zich bezig met het sociale handelen! (Max
Weber)
Een socioloog bestudeerd:
Functioneren van de mens in de maatschappij
1
, Sociologie, T2A
Interacties
Kwaliteit van de samenleving
Onderlinge samenhang van mensen en groepen (cohesie)
Sociologische onderwerpen:
Sociale systemen cultuur en instituties (familie, religie, opvoeding,
arbeid, politiek)
Sociale ongelijkheid gelaagdheid van de samenleving (macht en gezag,
autoriteit, status)
Sociale veranderingen (industrialisering, verstedelijking, globalisering,
digitalisering)
Afwijkend gedrag (discussie normen en waarden, criminaliteit,
stigmatisering)
Vier sociologische theorieën:
1. Structureel functionalisme (systeemtheorie) (Durkheim, Parsons)
2. Symbolisch interactionisme (etiketteringstheorie) (Goffman)
3. Disciplineringstheorie (Foucault, Donzelot)
4. Kritische theorie (Habermans)
VERZORGINGSSOCIOLOGIE (P. 15-19)
Het structureel functionalisme en systeembenadering legt nadruk op:
Bieden van structuur en stellen van grenzen
Bijeenhouden van samenlevingsverbanden, organisaties, ect
Voorkomen en tegengaan van afwijkend gedrag d.m.v. positieve en negatieve
sancties
Positief denken; wilskracht, motivatie, coachen
Oplossingen zoeken en stuk voor stuk in kaart brengen
Vooruitgang van de samenleving door wetenschappelijk onderzoek, innovatie en
technologie
Belangrijke onderdelen in de samenleving:
Economische infrastructuur van multinationals tot klein- en middenbedrijven
Onderwijssystemen van basisscholen tot universiteiten
Gezondheidszorg ziekenhuizen, verzorgingsinstellingen,
huisartsen, ect
Sociale systemen verzekeringen, uitkeringen, dienst- en
hulpverleningen
Instellingen gebied van; cultuur, sport, massamedia, ect
Leef- en woongemeenschappen van individuen tot verenigingsleven en
buurtgemeenschappen
Politieke bestel politieke partijen, gemeenten, provincies,
ministeries, ect
De sociale eenheid wordt onder druk gezet (verschillen rijkdom en armoede, ect).
Om de continuïteit te behouden, staan de volgende vraagstukken voorop:
1. Systeemhandhaving handhaving van systeem, orde en voorkomen van
wanorde
2