communicatie
Inhoud
College 1.....................................................................................................................................2
College 2.....................................................................................................................................6
Herhaling eerste college:.........................................................................................................6
College 3...................................................................................................................................13
Wat laten we zien?................................................................................................................14
College 4:..................................................................................................................................15
2e deel....................................................................................................................................17
College 5...................................................................................................................................22
Deel 2:...................................................................................................................................23
College 6...................................................................................................................................25
Deel 2:...................................................................................................................................27
College 7...................................................................................................................................30
Deel 2:...................................................................................................................................31
,College 1
Voor de vragen bij het examen moet je kijken naar logica, niet naar de letterlijk geleerde
tekst. bijvoorbeeld: persoon A kijkt in de ogen van persoon B terwijl hij z’n oor aanraakt en
zegt ‘ik weet niet waar je het over hebt’. Waarom denkt persoon B dat persoon A liegt?
Niet omdat hij z’n oor aanraakt of omdat hij geen emotie toont, maar omdat hij vaker op die
manier heeft gelogen. Dat is de enige logische berdenatie. Dat je je oor aanraakt of niet vol
emotie spreekt wilt niet zeggen dat je liegt.
Communicatie gaat over het overbrengen van specifieke mentale representaties aan de ander.
Bijvoorbeeld als je over een sinaasappel denkt. Als je er aan denkt zie je iets voor je, maar het
is geen foto of een filmpje, maar een betekenis. Je ziet het wel echt voor je. Dit wil je
overbrengen via communicatie.
Iets overbrengen begint fysiek met de vocal chords.
‘Dank je’ een positief gevoel richting persoon B
‘Ik erken dat dit ding dat positief voelt voor mij is veroorzaakt door jou’.
Of ‘ik versterk onze relatie bij het delen van mijn gevoelens’.
- Fonologie (speech geluiden)
- Semantics/vocabulair (betekenis van taal eenheden)
- Sytax en morfologie (regels van het combineren van woorden/veranderen
woordvormen)
- Taal (communiceer complex/series van mentale representaties)
Woorden hebben betekenissen:
Hallo:
- Ik erken jou als een persoon
- Ik ben negatief richting jou
- Ik wil met je communiceren
Maar je moet wel de symbolen (de taal) kennen. Als iemand antropomorfisatie tegen jou zegt
heb je geen idee wat diegene bedoelt.
Maar taal zorgt ook voor een gedeelde codering. Als iemand zegt ‘de aard is plat’ en jij
gelooft dat, is dat geloof gezamenlijk. Maar als iedereen zegt dat de aarde plat is, is dat een
sociale werkelijkheid. Het is niet fysieke waarheid, maar wel een sociale waarheid. Of God
,bestaat, ook dat is een gedeelde realiteit. Of dat democratie beter is dan de rest, een
gedeelde/sociale realiteit.
Een sociale/gedeelde realiteit.
Maar dit is eigen aan mensen, andere dieren maken geen sociale realiteit.
Voorbeelden hiervan zijn:
- Organisaties
- Culturen
- Groepen
- Relaties
Het bereiken van grote taken.
Door deze sociale verbindingen kunnen mensen dus veel meer bereiken. Denk aan
projecten om naar de ruimte te gaan of om de wereld met elkaar te verbinden. Dit is niet
een project van 1 iemand maar van grote groepen van over de hele wereld.
Voorbeelden van stimuli naar deelnemers. Positieve voorbeelden en negatieve
voorbeelden, gezichtsuitdrukking is hierbij heel belangrijk.
Belangrijke vragen bij communiceren:
- Waar praten we over?
- Hoe spreken we? (ook accenten en automatisch process)
- Wat laten we zien? (lichaam, beweging, etc.)
- Hoe kunnen we de complexiteit begrijpen? (buurt deling, vervolg gesprekken, context,
etc.)
- Hoe verschillen culturen hierin?
- Hoe communiceren we via nieuwe media?
- Hoe kunnen we communiceren met computers?
Dus, waar praten we over?
We praten altijd met een doel
Bijvoorbeeld: ‘Hey, je ziet er goed uit!’
Het is een samenkomende uitspraak:
- Het verbeterd de relatie
- Boost het zelfvertrouwen van de ander
- Presenteert jezelf als vriendelijk
, - Vormt een norm van close zijn
Dit zijn allemaal doelen. Misschien ziet diegene er wel niet eens zo goed uit, maar wil je dat
die ander zich goed voelt, of een beter zelfvertrouwen, of alleen om jezelf in een goed
daglicht te zetten, en er zijn nog meer voorbeelden en redenen.
Type doelen:
- Beïnvloeden/organiseren (leren, overtuigen, collaboratieve actie)
- Identiteit (een goed en consistent persoon zijn)
- Relationele hulpbron (het preserveren van de relatie)
- Persoonlijke resource (het voorkomen van gevolgen)
- Opwinding management (het vermijden van stress)
Hoofddoel:
Bestaat uit meerdere secundaire doelen. Die leiden samen naar communicatie strategieën.
Observeren afleiden checken handelen
Action assembly:
Het is een build-up van verschillende gedeeltes, maar horen bij elkaar. en komen weer samen
in de output representation hierarchy. Het is een build-up van dingen die al in je hoofd zaten,