Week 1
Hoorcollege 1A
Samenvatting H1-H8 (Compendium)
Arrest Marckx vs. België
Arrest Huwelijk en dementia
Hoofdstuk 1 Inleiding
De Unie ontleent aan art. 81 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geen bevoegdheid
tot harmonisatie en unificatie van de interne rechtsstelsel op het terrein van het personen- en
familierecht (wel grensoverschrijdend karakter). Aandacht gericht op internationaal privaatrecht = ipr.
Onder personenrecht pleegt men te verstaan de regels betreffende de rechtspositie van de persoon als
zodanig persoonlijkheid, naam, woonplaats.
Het familierecht regelt de rechtsverhoudingen die uit samenlevingsvormen, te weten huwelijk en
geregistreerd partnerschap en die uit afstamming voortvloeien sluiten/ontbinden huwelijk en
rechtspositie kinderen.
Hoofdstuk 2 De algemene bepaling (titel 1)
Personen of rechtssubjecten kunnen worden onderscheiden in natuurlijke personen (mensen) en
rechtspersonen.
Ieder die zich in Nederland bevindt (ongeacht zijn nationaliteit) vrij is, zie art. 1:1 BW.
De persoonlijkheid vangt aan met de geboorte. Uitzondering: een kind waarvan een vrouw zwanger is,
kan als reeds geboren worden aangemerkt zo dikwijls zijn belang dit vordert, zie art. 1:2 BW.
De persoonlijkheid eindigt door de dood.
Onder bloedverwantschap verstaat men de betrekking tussen personen van wie de een van de ander
afstamt (bloedverwantschap in rechte linie), of tussen personen die een gemeenschappelijke stamvader
hebben (bloedverwantschap in de zijlinie).
Juridische bloedverwantschap wordt aangeduid met familierechtelijke betrekking.
De graad van bloedverwantschap staat in art. 1:3 BW. Door het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap ontstaat aanverwantschap tussen de ene echtgenoot/partner en de bloedverwanten van
de andere echtgenoot/partner. De graad van aanverwantschap is gelijk aan de graad van
bloedverwantschap tussen de andere echtgenoot/partner en diens bloedverwant, zie art. 1:3 lid 2 BW.
Het begrip familie- en gezinsleven is ontleend aan art. 8 EVRM.
Tussen het kind en de man die het heeft erkend, bestaat behalve een juridische relevante
afstammingsrelatie, ook familie- en gezinsleven. Tussen het kind en zijn biologische vader (niet
echtgenoot moeder en niet erkend) kan familie- en gezinsleven bestaan, mits er bijzondere of
bijkomende omstandigheden’ zijn. Het enkele biologische vaderschap is niet voldoende.
Het Marckx-arrest vormde de eerste stap op weg naar erkenning van ‘familie- en gezinsleven’ buiten de
in de wet geregelde rechtsfiguren.
, Hoofdstuk 3 De nationaliteit
Tot iemands personalia behoort mede zijn nationaliteit. De Rijkswet geeft aan wanneer men
Nederlander is. Ieder die geen Nederlander is, is een vreemdeling.
Bij het bepalen van de nationaliteit kan men van twee beginselen uitgaan: het nationaliteitsbeginsel (!)
(wie van een Nederlandse vader of een Nederlandse moeder afstamt, is zelf ook Nederlander), en het
territorialiteitsbeginsel (wie op het grondgebied van Nederland geboren is, heeft de Nederlandse
nationaliteit).
Verkrijging van het Nederlanderschap geschiedt:
a. van rechtswege, onder andere
1. op het ogenblik van geboorte, als de vader of de moeder Nederlander is, zie art. 3 Rijkswet
2. door erkenning na de geboorte door een Nederlandse man, zie art. 4 lid 2 en 4 Rijkswet
3. door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een Nederlander, zie art. 4 Rijkswet
4. door adoptie van het minderjarige kind bij rechterlijke uitspraak, zie art. 5 Rijkswet
b. door het afleggen van een schriftelijke verklaring (optie), die bevestigd moet worden, zie art. 6
Rijkswet
Verlening van het Nederlanderschap vindt plaats door naturalisatie, zie art. 7-13 Rijkswet
Naturalisatie is het verlenen van de nationaliteit van een land aan een vreemdeling die daarom
vraagt. De bevestiging van de optieverklaring en het koninklijk besluit tot naturalisatie treden in
werking door een uitreiking tijdens een ceremonie.
Verlies van het Nederlanderschap vindt plaats op bepaalde, limitatief in art. 14-16a Rijkswet
opgesomde gronden.
Vaststelling van het Nederlanderschap. Een ieder die daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij
de Rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap,
zie art. 17 Rijkswet.
Hoofdstuk 4 De naam (titel 2)
Een zeer belangrijke functie van de naam is het individualiseren van een persoon (middel tot
identificatie).
Ouders kunnen de geslachtsnaam van hun kind kiezen, zie art. 1:5 BW. De naamskeuze is aan de
volgende regels gebonden:
1. De ouders kiezen één van hun beider namen.
2. Alle volgende kinderen krijgen dezelfde achternaam als het eerste kind. Dit voor eenheid van
naam in het gezin, zie art. 1:5 lid 8 BW.
3. Bepaald is steeds hoe en wanneer de ouders keuze kunnen doen en welke naam het kind krijgt
als géén naamskeuze wordt gedaan:
a. Gehuwde ouders kunnen de naamskeuze vóór de geboorte doen, zie art. 1:5 lid 4 BW.
Bij geen keuze krijgt het kind de naam van de vader, zie art. 1:5 lid 5 BW.
Bij huwelijk/geregistreerd partnerschap twee vrouwen en bij geen keuze krijgt het kind
de naam van de moeder, zie art. 1:5 lid 4 vierde volzin en lid 5 aanhef onder b BW.
b. Bij adoptie kiezen de adoptanten onder rechterlijke uitspraak, zie art. 1:5 lid 3 BW.
Hoorcollege 1A
Samenvatting H1-H8 (Compendium)
Arrest Marckx vs. België
Arrest Huwelijk en dementia
Hoofdstuk 1 Inleiding
De Unie ontleent aan art. 81 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geen bevoegdheid
tot harmonisatie en unificatie van de interne rechtsstelsel op het terrein van het personen- en
familierecht (wel grensoverschrijdend karakter). Aandacht gericht op internationaal privaatrecht = ipr.
Onder personenrecht pleegt men te verstaan de regels betreffende de rechtspositie van de persoon als
zodanig persoonlijkheid, naam, woonplaats.
Het familierecht regelt de rechtsverhoudingen die uit samenlevingsvormen, te weten huwelijk en
geregistreerd partnerschap en die uit afstamming voortvloeien sluiten/ontbinden huwelijk en
rechtspositie kinderen.
Hoofdstuk 2 De algemene bepaling (titel 1)
Personen of rechtssubjecten kunnen worden onderscheiden in natuurlijke personen (mensen) en
rechtspersonen.
Ieder die zich in Nederland bevindt (ongeacht zijn nationaliteit) vrij is, zie art. 1:1 BW.
De persoonlijkheid vangt aan met de geboorte. Uitzondering: een kind waarvan een vrouw zwanger is,
kan als reeds geboren worden aangemerkt zo dikwijls zijn belang dit vordert, zie art. 1:2 BW.
De persoonlijkheid eindigt door de dood.
Onder bloedverwantschap verstaat men de betrekking tussen personen van wie de een van de ander
afstamt (bloedverwantschap in rechte linie), of tussen personen die een gemeenschappelijke stamvader
hebben (bloedverwantschap in de zijlinie).
Juridische bloedverwantschap wordt aangeduid met familierechtelijke betrekking.
De graad van bloedverwantschap staat in art. 1:3 BW. Door het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap ontstaat aanverwantschap tussen de ene echtgenoot/partner en de bloedverwanten van
de andere echtgenoot/partner. De graad van aanverwantschap is gelijk aan de graad van
bloedverwantschap tussen de andere echtgenoot/partner en diens bloedverwant, zie art. 1:3 lid 2 BW.
Het begrip familie- en gezinsleven is ontleend aan art. 8 EVRM.
Tussen het kind en de man die het heeft erkend, bestaat behalve een juridische relevante
afstammingsrelatie, ook familie- en gezinsleven. Tussen het kind en zijn biologische vader (niet
echtgenoot moeder en niet erkend) kan familie- en gezinsleven bestaan, mits er bijzondere of
bijkomende omstandigheden’ zijn. Het enkele biologische vaderschap is niet voldoende.
Het Marckx-arrest vormde de eerste stap op weg naar erkenning van ‘familie- en gezinsleven’ buiten de
in de wet geregelde rechtsfiguren.
, Hoofdstuk 3 De nationaliteit
Tot iemands personalia behoort mede zijn nationaliteit. De Rijkswet geeft aan wanneer men
Nederlander is. Ieder die geen Nederlander is, is een vreemdeling.
Bij het bepalen van de nationaliteit kan men van twee beginselen uitgaan: het nationaliteitsbeginsel (!)
(wie van een Nederlandse vader of een Nederlandse moeder afstamt, is zelf ook Nederlander), en het
territorialiteitsbeginsel (wie op het grondgebied van Nederland geboren is, heeft de Nederlandse
nationaliteit).
Verkrijging van het Nederlanderschap geschiedt:
a. van rechtswege, onder andere
1. op het ogenblik van geboorte, als de vader of de moeder Nederlander is, zie art. 3 Rijkswet
2. door erkenning na de geboorte door een Nederlandse man, zie art. 4 lid 2 en 4 Rijkswet
3. door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een Nederlander, zie art. 4 Rijkswet
4. door adoptie van het minderjarige kind bij rechterlijke uitspraak, zie art. 5 Rijkswet
b. door het afleggen van een schriftelijke verklaring (optie), die bevestigd moet worden, zie art. 6
Rijkswet
Verlening van het Nederlanderschap vindt plaats door naturalisatie, zie art. 7-13 Rijkswet
Naturalisatie is het verlenen van de nationaliteit van een land aan een vreemdeling die daarom
vraagt. De bevestiging van de optieverklaring en het koninklijk besluit tot naturalisatie treden in
werking door een uitreiking tijdens een ceremonie.
Verlies van het Nederlanderschap vindt plaats op bepaalde, limitatief in art. 14-16a Rijkswet
opgesomde gronden.
Vaststelling van het Nederlanderschap. Een ieder die daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij
de Rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap,
zie art. 17 Rijkswet.
Hoofdstuk 4 De naam (titel 2)
Een zeer belangrijke functie van de naam is het individualiseren van een persoon (middel tot
identificatie).
Ouders kunnen de geslachtsnaam van hun kind kiezen, zie art. 1:5 BW. De naamskeuze is aan de
volgende regels gebonden:
1. De ouders kiezen één van hun beider namen.
2. Alle volgende kinderen krijgen dezelfde achternaam als het eerste kind. Dit voor eenheid van
naam in het gezin, zie art. 1:5 lid 8 BW.
3. Bepaald is steeds hoe en wanneer de ouders keuze kunnen doen en welke naam het kind krijgt
als géén naamskeuze wordt gedaan:
a. Gehuwde ouders kunnen de naamskeuze vóór de geboorte doen, zie art. 1:5 lid 4 BW.
Bij geen keuze krijgt het kind de naam van de vader, zie art. 1:5 lid 5 BW.
Bij huwelijk/geregistreerd partnerschap twee vrouwen en bij geen keuze krijgt het kind
de naam van de moeder, zie art. 1:5 lid 4 vierde volzin en lid 5 aanhef onder b BW.
b. Bij adoptie kiezen de adoptanten onder rechterlijke uitspraak, zie art. 1:5 lid 3 BW.