Rekonomie samenvatting H1 en H2
H1: Rekenen
Als er niet staat op hoeveel decimalen je moet afronden, rond je altijd af op een. Bedragen
worden afgerond met 2 decimalen.
- Niet tussendoor afronden
Biljoen = 12 nullen
Miljard = 9 nullen
H2: Procenten
Je kunt percentages op 2 manieren berekenen:
240/466 x 100% = 51,5% of ? = (240 x 100) / 466 = 51,5%
Basisgetal berekenen:
- Pieter verdiend 75% van Marieke. Marieke verdient 4000 euro. Hoeveel verdient
Pieter? 4000 = 100% dus 4000 x 0,75 = 3000
Btw-bedrag berekenen: de prijs inclusief btw delen door 21 (of 6&), dan heb je 1% en de
uitkomst x 21 (of 6).
- Een groeifactor van 1,03 = 3%
- Procentuele verandering =
Economie levensloop samenvatting H1 en H2:
H1: Keuzes:
1.1
Iedereen moet in zijn leven keuzes maken. Deze hebben voordelen en nadelen. AOW is een
uitkering voor 65+.
1.2
Zo’n keuze kan veel invloed hebben op de uiteindelijke levensloop. De meeste beslissingen
zijn minder ingrijpend en hebben een kleinere invloed.
Wanneer producten worden aangeschaft door de eindgebruiker (of gezinnen), noemen we
dit consumeren. Als de producten worden aangeschaft door een bedrijf noemen we dit
investeren.
Gezinnen: Bedrijven:
Consumeren Investeren
Consumptiegoederen worden aangeschaft Kapitaalgoederen worden gebruikt om
door de eindgebruiker. goederen en diensten mee te produceren.
Een probleem dat optreedt bij productie is dat de middelen altijd beperkter zijn dan de
behoeften; ook wel schaarste.
In de economie krijgt het woord schaarste een andere betekenis: er is sprake van: relatieve
schaarste, wat inhoud dat er een offer of inspanning geleverd moet worden om het te
verkrijgen.
Goederen waarvoor geen schaarse middelen worden opgeofferd; vrije goederen.
, Als we kiezen voor een bepaalde mogelijkheid, dan offeren we de waarde van de
alternatieve keuze op. De waarde van datgene wat we opofferen om iet te krijgen, heet
opofferingskosten. Deze bestaan uit de waarde van het op een na beste alternatief.
1.3
De budgetlijn laat de verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden van een
bepaald budget zien.
De reële waarde is hoeveel je van iets kan kopen
Nominaal is datgeen wat je krijgt, door bijv te werken, uitgedrukt in euro’s.
1.4
Speltheorie:
Aan de hand van een pay-off matrix kun je veel dingen analyseren en voorspellen. Het doel
ervan is het bepalen van evenwichten en uitkomsten. In het schema worden de
mogelijkheden. Er zijn verschillende strategieën bij zo’n matrix:
De dominante strategie is die het beste resultaat oplevert, ongeacht de keuze van de
andere speler(s).
Nash-evenwicht: een situatie waarin beide spelers de opbrengst niet kunnen verbeteren
door alleen zelf van strategie te veranderen.
Een prisoners of gevangenendilemma is een situatie waarin beide partijen een dominante
strategie hebben, maar het volgen van deze strategie tot een niet-optimale uitkomst leidt.
Hoe voorkom je een gevangenendilemma?
- Simultaan spel: maken van bindende afspraken met financiële consequenties of
reputatierisico’s
- Sequentieel spel: bij een herhaald spel kunnen partijen afwijken van de dominante
strategie en zich coöperatief opstellen.
- LET OP: meeliftersgedrag (free-rider), hangt samen met een gevangenendilemma.
H2: Risico en informatie:
2.1 & 2.2
Een transactie is een ruil of overeenkomst. De transactiekosten zijn alle kosten die
partijen maken om de ruil of overeenkomst tot stand te brengen
2.3
Een risico is de kans dat een gebeurtenis zich voordoet. Nederlanders zijn vaak
risicoavers: ze proberen zoveel mogelijk risico’s te vermijden.
2.4
Bij een situatie waarin de ene partij bepaalde informatie heeft waarover de andere partij niet
beschikt, spreek je van asymmetrische informatie. Dit kan soms tot problemen leiden. Ze
weet de koper altijd minder over de auto dan de verkoper. Om het risico op een miskoop te
verkleinen kan garantie worden verstrekt. De verkoper zou hier alleen mee instemmen als
de auto ook daadwerkelijk goed is.
2.5
Mensen die risico avers zijn willen zoveel mogelijk financiële schade ontlopen en sluiten
daarom een verzekering af. Zo werkt een verzekering:
H1: Rekenen
Als er niet staat op hoeveel decimalen je moet afronden, rond je altijd af op een. Bedragen
worden afgerond met 2 decimalen.
- Niet tussendoor afronden
Biljoen = 12 nullen
Miljard = 9 nullen
H2: Procenten
Je kunt percentages op 2 manieren berekenen:
240/466 x 100% = 51,5% of ? = (240 x 100) / 466 = 51,5%
Basisgetal berekenen:
- Pieter verdiend 75% van Marieke. Marieke verdient 4000 euro. Hoeveel verdient
Pieter? 4000 = 100% dus 4000 x 0,75 = 3000
Btw-bedrag berekenen: de prijs inclusief btw delen door 21 (of 6&), dan heb je 1% en de
uitkomst x 21 (of 6).
- Een groeifactor van 1,03 = 3%
- Procentuele verandering =
Economie levensloop samenvatting H1 en H2:
H1: Keuzes:
1.1
Iedereen moet in zijn leven keuzes maken. Deze hebben voordelen en nadelen. AOW is een
uitkering voor 65+.
1.2
Zo’n keuze kan veel invloed hebben op de uiteindelijke levensloop. De meeste beslissingen
zijn minder ingrijpend en hebben een kleinere invloed.
Wanneer producten worden aangeschaft door de eindgebruiker (of gezinnen), noemen we
dit consumeren. Als de producten worden aangeschaft door een bedrijf noemen we dit
investeren.
Gezinnen: Bedrijven:
Consumeren Investeren
Consumptiegoederen worden aangeschaft Kapitaalgoederen worden gebruikt om
door de eindgebruiker. goederen en diensten mee te produceren.
Een probleem dat optreedt bij productie is dat de middelen altijd beperkter zijn dan de
behoeften; ook wel schaarste.
In de economie krijgt het woord schaarste een andere betekenis: er is sprake van: relatieve
schaarste, wat inhoud dat er een offer of inspanning geleverd moet worden om het te
verkrijgen.
Goederen waarvoor geen schaarse middelen worden opgeofferd; vrije goederen.
, Als we kiezen voor een bepaalde mogelijkheid, dan offeren we de waarde van de
alternatieve keuze op. De waarde van datgene wat we opofferen om iet te krijgen, heet
opofferingskosten. Deze bestaan uit de waarde van het op een na beste alternatief.
1.3
De budgetlijn laat de verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden van een
bepaald budget zien.
De reële waarde is hoeveel je van iets kan kopen
Nominaal is datgeen wat je krijgt, door bijv te werken, uitgedrukt in euro’s.
1.4
Speltheorie:
Aan de hand van een pay-off matrix kun je veel dingen analyseren en voorspellen. Het doel
ervan is het bepalen van evenwichten en uitkomsten. In het schema worden de
mogelijkheden. Er zijn verschillende strategieën bij zo’n matrix:
De dominante strategie is die het beste resultaat oplevert, ongeacht de keuze van de
andere speler(s).
Nash-evenwicht: een situatie waarin beide spelers de opbrengst niet kunnen verbeteren
door alleen zelf van strategie te veranderen.
Een prisoners of gevangenendilemma is een situatie waarin beide partijen een dominante
strategie hebben, maar het volgen van deze strategie tot een niet-optimale uitkomst leidt.
Hoe voorkom je een gevangenendilemma?
- Simultaan spel: maken van bindende afspraken met financiële consequenties of
reputatierisico’s
- Sequentieel spel: bij een herhaald spel kunnen partijen afwijken van de dominante
strategie en zich coöperatief opstellen.
- LET OP: meeliftersgedrag (free-rider), hangt samen met een gevangenendilemma.
H2: Risico en informatie:
2.1 & 2.2
Een transactie is een ruil of overeenkomst. De transactiekosten zijn alle kosten die
partijen maken om de ruil of overeenkomst tot stand te brengen
2.3
Een risico is de kans dat een gebeurtenis zich voordoet. Nederlanders zijn vaak
risicoavers: ze proberen zoveel mogelijk risico’s te vermijden.
2.4
Bij een situatie waarin de ene partij bepaalde informatie heeft waarover de andere partij niet
beschikt, spreek je van asymmetrische informatie. Dit kan soms tot problemen leiden. Ze
weet de koper altijd minder over de auto dan de verkoper. Om het risico op een miskoop te
verkleinen kan garantie worden verstrekt. De verkoper zou hier alleen mee instemmen als
de auto ook daadwerkelijk goed is.
2.5
Mensen die risico avers zijn willen zoveel mogelijk financiële schade ontlopen en sluiten
daarom een verzekering af. Zo werkt een verzekering: