Inleiding in de sociologie
College 5
Oplossingen van het prisoner’s dilemma in de samenleving
- Samen ingebed in een netwerk – langdurige relatie zorgt voor wederkerigheid
Reciprociteit (voor wat hoort wat)
- Netwerken werken ook via reputatie – kan ervoor zorgen dat coöperatie kan
werken
- Instituties vormen ook een onderdeel (bij een rechterlijke sanctie juridische
instituties, formele institutie)
Veel maatschappelijke problemen kunnen verklaard worden als gevolg van
zwartrijdergedrag bij collectieve goederen.
Geschiedenis staatsinterventie en moderne samenleving
- Industrialisatie: specialisering, arbeidsdeling. Steeds meer taken door de
overheid gedaan i.p.v. door individuen. Sociale problemen ontstonden en
werden zichtbaar.
- Interventiestaat: de staat probeert de economische en sociale ontwikkeling te
bevorderen. De staat grijpt in als andere sociale ordes falen, met name de
markt. Hoe de staat moet ingrijpen is altijd discussie over.
Staatsinterventie en het probleem van collectief handelen
- Binnen steden rijke burgers en arme mensen. Ontstonden problemen doordat
mensen dichter op elkaar woonden (ziektes, hygiëne) -> Riolering/ armenzorg.
Rijke mensen moesten dit betalen dit werd bepaald door wetten en regels.
Zonder wetten en regels gingen deze mensen niet betalen.
- Verschillen tussen de steden. Mensen trokken naar andere steden waar het
beter was -> nationale wetgeving was nodig.
- Moderne interventiestaat: bijvoorbeeld stikstofproblematiek/ energiesubsidies.
Belangengroepen tegen het collectief goed zorgt voor debat of discussie.
Staatsinterventie en bureaucratie
- Staatsinterventie vraagt betrouwbaar, bestuurbaar en efficiënt
overheidsapparaat (Weber). – Scheiding van publieke en private belangen
(net zo behandelen als iedereen) – kenmerken van moderne bureaucratie.
- Corruptie i.p.v. algemeen belang voorkomen.
- Systeem dat ervoor zorgt dat doelen zo worden uitgevoerd dat het uiteindelijk
ook voor het gewenste doeleinde zorgt.
- Hiërarchisch systeem – moet ook controleerbaar zijn
- ‘Iron cage’ – ambtenaar bevindt zich in ijzeren kooi, zit vast aan de regels en
moet zich daaraan houden.
Problemen van de bureaucratie:
- Ambtenaren zijn ook homo socio-economicus, hebben ook eigen doelen en
belangen die misschien wel afwijken van wat de overheid wil.
- Principal-agent-(client) model.
,Principal-agent model:
Principal is de wetgever. Stelt doelen in. Daarvoor moeten regels ingesteld
worden waaraan ambtenaren zich aan moeten houden en moeten uitvoeren.
Er moeten ook prikkels worden vastgesteld om de ambtenaren hieraan te
laten houden. Agent is de ambtenaar. Die is ook een homo economicus, met
eigen doelen. Moet de doelen uitvoeren.
Informatie en contractuele verplichtingen. Ambtenaar moet bijhouden wat hij
uitschrijft.
Informatie asymmetrie: principal weet niet altijd wat de agent doet, agent kan
ook dingen achterhouden. Hierdoor kunnen dingen anders lopen dan bedoeld
in de wetgeving, Bureaucratie werkt dus ook niet altijd perfect.
- Supervisieprobleem – ministeriele verantwoordelijkheid/ informatieasymmetrie
- Motivatieprobleem (opportunisme)
- Doelverandering – concurrentie tussen afdelingen/ budget maximaliseren/
discussie over salarissen topbestuurders.
Deze problemen spelen niet alleen in overheidsbureaucratie maar bij elke
organisatie.
Hoe proberen organisaties dat op te lossen?
- Instituties – hiërarchie: controle en sancties (Webers bureaucratiemodel)
- Economische prikkels – prestatiebeloning/ loopbaaneenheid
- Sociale prikkels – normen/ netwerken/ status. Ook informeel speelt een rol
(erkenning). Stimuleren cohesie onder werknemers -> stimuleren
afhankelijkheid van elkaar. (Voor een organisatie; wat zijn de gevolgen?)
Voorbeeld: docent van het jaar – sociale prikkels om gedrag te stimuleren wat in het
belang is voor de organisatie.
Een belangrijke vorm van staatsinterventie:
Verzorgingsstaat.
Sociale motieven in experimenten; dictator games
- Je krijgt 10 euro en moet een deel daarvan weggeven aan een ander die je
niet kent. Hoeveel procent geef je aan de ander?
Homo economicus -> kiest voor 0
- Gemiddeld antwoord = 28.35% aan de ander
, - Mogelijke verklaring: mensen streven naar monetaire winst maar ook naar de
‘fairness’. Eigenbelang weegt zwaarder, maar belang ander telt ook mee.
(Lindenberg “zwakke solidariteit”)
Sociale relaties en solidariteit
- Sterkere solidariteit – sterke sociale relaties (bijvoorbeeld vriendschap). Bij het
experiment zouden de mensen meer geven bij sterkere sociale relatie.
- Hechte kleine gemeenschap met sterke wederzijdse afhankelijkheid
(bijvoorbeeld jager-verzamelaar)
Naarmate publieke sociale uitgaven hoger in een land zorgt voor minder armoede en
minder inkomensongelijkheid. Minder inkomensongelijkheid zorgt weer voor minder
criminaliteit.
Hoeveel is het waard? Te veel? Economische kosten te groot? Kan de
economie het nog wel dragen?
Verhoogt de verzorgingsstaat ook de economische welvaart?
Voor: Biedt meer kansen voor mensen in armoede om deel te nemen aan de
economie. Sociale rust en vrede (slechte verzorgingsstaat willen mensen hun banen
niet kwijt ook al is dit niet meer productief. Bij een goede verzorgingsstaat is dit niet
zo, door bijvoorbeeld uitkering en mogelijkheid tot nieuwe baan.)
Tegen: Veel meer uitgaven/ kosten. Economie werkt als economische bedrijven ook
winsten kunnen maken. Als de kosten te hoog worden maken deze bedrijven geen
winst meer. Dit kan leiden tot wegtrekking van deze bedrijven.
Waarom groeien collectieve uitgaven?
- Bureaucratie wil budget vergroten.
- Burgers kunnen misbruik maken van sociale zekerheid. Regels individueel
rationeel gebruiken (WAO) principal-agent-client. Weer de mogelijkheid van
ambtenaren om misbruik te maken en meer kosten te creëren.
- “Tragedy of the commons”
- Statistische manipulatie bij QUANGO’s
Inleiding in de sociologie
College 6
Waarom groeien collectieve uitgaven (2):
- Sociale steun goed of slecht? Murray; al die sociale steun maakt de arme
mensen lui. Minder prikkels, doen minder om inkomen te verwerven.
“Perverse incentives”. Er moet niet te veel gepakt worden anders is het niet
meer te financieren. -> kritiek, was niet de enige reden waarom mensen niet
meer gingen werken. Minder banen in fabrieken etc. telde ook mee.
- Principal-agent-client
- Informatie asymmetrie probleem. (Ongelijkheid uitvoerder en wetgever) Er kan
niet altijd gecontroleerd worden hoe het in de praktijk eraan toe gaat.
Performance paradox; quango. Is geen overheidsorganisatie maar ook weer
wel. Doen dingen voor het collectief of zijn gefinancierd door de overheid.
Bijvoorbeeld de NS. Probleem hierbij is dat ze niet direct onder de
overheidsbureaucratie vallen dus zijn minder controleerbaar.
College 5
Oplossingen van het prisoner’s dilemma in de samenleving
- Samen ingebed in een netwerk – langdurige relatie zorgt voor wederkerigheid
Reciprociteit (voor wat hoort wat)
- Netwerken werken ook via reputatie – kan ervoor zorgen dat coöperatie kan
werken
- Instituties vormen ook een onderdeel (bij een rechterlijke sanctie juridische
instituties, formele institutie)
Veel maatschappelijke problemen kunnen verklaard worden als gevolg van
zwartrijdergedrag bij collectieve goederen.
Geschiedenis staatsinterventie en moderne samenleving
- Industrialisatie: specialisering, arbeidsdeling. Steeds meer taken door de
overheid gedaan i.p.v. door individuen. Sociale problemen ontstonden en
werden zichtbaar.
- Interventiestaat: de staat probeert de economische en sociale ontwikkeling te
bevorderen. De staat grijpt in als andere sociale ordes falen, met name de
markt. Hoe de staat moet ingrijpen is altijd discussie over.
Staatsinterventie en het probleem van collectief handelen
- Binnen steden rijke burgers en arme mensen. Ontstonden problemen doordat
mensen dichter op elkaar woonden (ziektes, hygiëne) -> Riolering/ armenzorg.
Rijke mensen moesten dit betalen dit werd bepaald door wetten en regels.
Zonder wetten en regels gingen deze mensen niet betalen.
- Verschillen tussen de steden. Mensen trokken naar andere steden waar het
beter was -> nationale wetgeving was nodig.
- Moderne interventiestaat: bijvoorbeeld stikstofproblematiek/ energiesubsidies.
Belangengroepen tegen het collectief goed zorgt voor debat of discussie.
Staatsinterventie en bureaucratie
- Staatsinterventie vraagt betrouwbaar, bestuurbaar en efficiënt
overheidsapparaat (Weber). – Scheiding van publieke en private belangen
(net zo behandelen als iedereen) – kenmerken van moderne bureaucratie.
- Corruptie i.p.v. algemeen belang voorkomen.
- Systeem dat ervoor zorgt dat doelen zo worden uitgevoerd dat het uiteindelijk
ook voor het gewenste doeleinde zorgt.
- Hiërarchisch systeem – moet ook controleerbaar zijn
- ‘Iron cage’ – ambtenaar bevindt zich in ijzeren kooi, zit vast aan de regels en
moet zich daaraan houden.
Problemen van de bureaucratie:
- Ambtenaren zijn ook homo socio-economicus, hebben ook eigen doelen en
belangen die misschien wel afwijken van wat de overheid wil.
- Principal-agent-(client) model.
,Principal-agent model:
Principal is de wetgever. Stelt doelen in. Daarvoor moeten regels ingesteld
worden waaraan ambtenaren zich aan moeten houden en moeten uitvoeren.
Er moeten ook prikkels worden vastgesteld om de ambtenaren hieraan te
laten houden. Agent is de ambtenaar. Die is ook een homo economicus, met
eigen doelen. Moet de doelen uitvoeren.
Informatie en contractuele verplichtingen. Ambtenaar moet bijhouden wat hij
uitschrijft.
Informatie asymmetrie: principal weet niet altijd wat de agent doet, agent kan
ook dingen achterhouden. Hierdoor kunnen dingen anders lopen dan bedoeld
in de wetgeving, Bureaucratie werkt dus ook niet altijd perfect.
- Supervisieprobleem – ministeriele verantwoordelijkheid/ informatieasymmetrie
- Motivatieprobleem (opportunisme)
- Doelverandering – concurrentie tussen afdelingen/ budget maximaliseren/
discussie over salarissen topbestuurders.
Deze problemen spelen niet alleen in overheidsbureaucratie maar bij elke
organisatie.
Hoe proberen organisaties dat op te lossen?
- Instituties – hiërarchie: controle en sancties (Webers bureaucratiemodel)
- Economische prikkels – prestatiebeloning/ loopbaaneenheid
- Sociale prikkels – normen/ netwerken/ status. Ook informeel speelt een rol
(erkenning). Stimuleren cohesie onder werknemers -> stimuleren
afhankelijkheid van elkaar. (Voor een organisatie; wat zijn de gevolgen?)
Voorbeeld: docent van het jaar – sociale prikkels om gedrag te stimuleren wat in het
belang is voor de organisatie.
Een belangrijke vorm van staatsinterventie:
Verzorgingsstaat.
Sociale motieven in experimenten; dictator games
- Je krijgt 10 euro en moet een deel daarvan weggeven aan een ander die je
niet kent. Hoeveel procent geef je aan de ander?
Homo economicus -> kiest voor 0
- Gemiddeld antwoord = 28.35% aan de ander
, - Mogelijke verklaring: mensen streven naar monetaire winst maar ook naar de
‘fairness’. Eigenbelang weegt zwaarder, maar belang ander telt ook mee.
(Lindenberg “zwakke solidariteit”)
Sociale relaties en solidariteit
- Sterkere solidariteit – sterke sociale relaties (bijvoorbeeld vriendschap). Bij het
experiment zouden de mensen meer geven bij sterkere sociale relatie.
- Hechte kleine gemeenschap met sterke wederzijdse afhankelijkheid
(bijvoorbeeld jager-verzamelaar)
Naarmate publieke sociale uitgaven hoger in een land zorgt voor minder armoede en
minder inkomensongelijkheid. Minder inkomensongelijkheid zorgt weer voor minder
criminaliteit.
Hoeveel is het waard? Te veel? Economische kosten te groot? Kan de
economie het nog wel dragen?
Verhoogt de verzorgingsstaat ook de economische welvaart?
Voor: Biedt meer kansen voor mensen in armoede om deel te nemen aan de
economie. Sociale rust en vrede (slechte verzorgingsstaat willen mensen hun banen
niet kwijt ook al is dit niet meer productief. Bij een goede verzorgingsstaat is dit niet
zo, door bijvoorbeeld uitkering en mogelijkheid tot nieuwe baan.)
Tegen: Veel meer uitgaven/ kosten. Economie werkt als economische bedrijven ook
winsten kunnen maken. Als de kosten te hoog worden maken deze bedrijven geen
winst meer. Dit kan leiden tot wegtrekking van deze bedrijven.
Waarom groeien collectieve uitgaven?
- Bureaucratie wil budget vergroten.
- Burgers kunnen misbruik maken van sociale zekerheid. Regels individueel
rationeel gebruiken (WAO) principal-agent-client. Weer de mogelijkheid van
ambtenaren om misbruik te maken en meer kosten te creëren.
- “Tragedy of the commons”
- Statistische manipulatie bij QUANGO’s
Inleiding in de sociologie
College 6
Waarom groeien collectieve uitgaven (2):
- Sociale steun goed of slecht? Murray; al die sociale steun maakt de arme
mensen lui. Minder prikkels, doen minder om inkomen te verwerven.
“Perverse incentives”. Er moet niet te veel gepakt worden anders is het niet
meer te financieren. -> kritiek, was niet de enige reden waarom mensen niet
meer gingen werken. Minder banen in fabrieken etc. telde ook mee.
- Principal-agent-client
- Informatie asymmetrie probleem. (Ongelijkheid uitvoerder en wetgever) Er kan
niet altijd gecontroleerd worden hoe het in de praktijk eraan toe gaat.
Performance paradox; quango. Is geen overheidsorganisatie maar ook weer
wel. Doen dingen voor het collectief of zijn gefinancierd door de overheid.
Bijvoorbeeld de NS. Probleem hierbij is dat ze niet direct onder de
overheidsbureaucratie vallen dus zijn minder controleerbaar.