MSG – Gravieres Rhenanes
Art. 17 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in
burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat in het
kader van een in de internationale handel mondeling gesloten
contract een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter
wordt geacht ten aanzien van die bepaling geldig te zijn gesloten
door het feit dat de ene partij bij het contract niet reageert op een
bevestigingsbrief die de andere partij hem heeft gezonden, of
zonder bezwaar herhaaldelijk facturen betaalt waarop een
voorgedrukte aanwijzing van de bevoegde rechter voorkomt, indien
een dergelijke handelwijze overeenkomt met een gebruik in de tak
van de internationale handel waar de betrokken partijen werkzaam
zijn, en indien deze partijen dit gebruik kennen of geacht worden het
te kennen. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of een
dergelijk gebruik bestaat en of de partijen bij het contract dit gebruik
kenden. Er is met name sprake van een gebruik in een tak van de
internationale handel wanner de in deze tak werkzame
contracterende partij bij het sluiten van een bepaald soort
contracten doorgaans een bepaalde handelwijze aan de dag leggen.
Dat de partijen bij het contract dit gebruik kennen, moet met name
worden aangenomen wanneer zij tevoren reeds onderling of met
andere in de betrokken handelstak werkzame partijen
handelsbetrekkingen hadden aangeknoopt, of wanneer in die
handelstak een bepaalde handelwijze bij het sluiten van een bepaald
soort contracten doorgaans en regelmatig aan de dag wordt gelegd,
zodat zij als een vaste praktijk kan worden aangemerkt.
Het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat een mondeling
akkoord over de plaats van uitvoering, dat niet strekt tot bepaling
van de plaats waar de schuldenaar de door hem verschuldigde
prestatie moet verrichten, maar enkel de bevoegde rechter beoogt
aan te wijzen, niet onder artikel 5, sub 1, maar onder artikel 17
Executieverdrag valt en slechts geldig is wanneer de aldaar
geformuleerde voorwaarden in acht zijn genomen
Kainz/Pantherwerke
Art. 5, punt 3 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22
december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de
erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en
handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat ingeval een
producent aansprakelijk wordt gesteld voor een gebrekkig product,
de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis de plaats is waar
het betrokken product is vervaardigd.
eDate Advertising
Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van
33 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de
, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke ne
handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat in geval van een
beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten door op
internet geplaatste content, de persoon die zich gelaedeerd acht een
vordering tot vergoeding van de volledige schade kan indienen,
hetzij bij de gerechten van de lidstaat waar de uitgever van die
content gevestigd is, hetzij bij de gerechten van de lidstaat waar
zich het centrum van zijn belangen bevindt. In plaats van een
vordering tot vergoeding van de volledige schade kan die persoon
ook een vordering indienen bij de gerechten van elke lidstaat op het
grondgebied waarvan een op internet geplaatste content
toegankelijk is of is geweest. Deze gerechten kunnen enkel
kennisnemen van vorderingen betreffende schade die is veroorzaakt
op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht.
Art. 3 van richtlijn 2000/31/EG betreffende bepaalde juridische
aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name
de elektronische handel, in de interne markt (,,richtlijn inzake
elektronische handel’’), moet aldus worden uitgelegd dat het geen
omzetting in de vorm van een specifieke conflictregel verlangt. De
lidstaten moeten echter, behoudens de volgens de voorwaarden van
artikel 3, lid 4, van richtlijn 2000/31 toegestane afwijkingen, op het
gecoördineerde gebied waarborgen dat de verlener van een dienst
van de elektronische handel niet wordt onderworpen aan strengere
eisen dan de voorzien in het in de lidstaat van vestiging van die
dienstverlener toepasselijke materiele recht.
Kalimijnen
Ingeval de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat een
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen, en de
plaats waar door dit feit schade is ontstaan, niet samenvallen, moet
de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft
voorgedaan’ in artikel 5, sub 3, van het verdrag van 27 september
van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de
tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken,
aldus worden verstaan dat zowel de plaats waar de schade is
ingetreden, als de plaats van de veroorzakende gebeurtenis is
bedoeld. Hieruit volgt dat de verweerder ter keuze van de verzoeker
kan worden opgeroepen voor de rechter hetzij van de plaats waarde
schade is ingetreden, hetzij van de plaats van de veroorzakende
gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt.
Plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan
handlungsort
Plaats waar de schade is ingetreden erfolgsort
Car Trim
Art. 5, punt 1, sub b, van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de
Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke
bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen
in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat