Peutertijd
7.1 Inleiding
De peutertijd loopt van ongeveer 12 maanden, als het kind heeft
leren lopen, tot ongeveer 2,5 jaar. Hierin staan de taalontwikkeling
en de toename van motorische vaardigheden centraal.
7.2 Cognitieve ontwikkeling: de ontwikkeling van taal
De taalontwikkeling in het Ie jaar wordt de prelinguale fase
genoemd omdat er nog geen sprake is van echte spraak. De
volgende fase van de taalontwikkeling, die van 12 maanden tot 2,5
jaar loopt, heet de vroeglingualefase. Aan het einde van het 2e
levensjaar heeft het kind twee belangrijke cognitieve vaardigheden
verworven: symbolisch denken en objectpermanentie. Zoals hier
onder besproken zijn beide vaardigheden belangrijk voor de
ontwikkeling van autonomie en voor de taalontwikkeling. De
symbolische representatie van voorwerpen en personen is van
belang voor de taalontwikkeling omdat aan symbolen een woord
verbonden kan worden. Objectpermanentie is van belang voor de
ontwikkeling van autonomie omdat het kind de afwezigheid van de
verzorgers pas kan verdragen als deze als innerlijk beeld blijven
voortbestaan ook al zijn zij uit het zicht.
7.2.1 De bouwstenen van taal
Taal is opgebouwd uit vijf elementen: fonologische, semantische,
morfologische, syntactische en pragmatische elementen.
• Fonologie verwijst naar klanken en regels waarmee klanken,
gecombineerd worden tot woorden.
• Semantiek verwijst naar de betekenis van woorden en zinnen.
• Morfologie verwijst naar betekenisvolle elementen waarmee
woorden gevormd worden.
• Syntax verwijst naar grammaticale regels waarmee woorden tot
zinnen gecombineerd worden.
• Pragmatiek verwijst naar het gebruik van taal in een sociale
context, zoals het initiëren of onderhouden van een conversatie.
Er wordt bij taalontwikkeling en bij het beoordelen van problemen
in de taalontwikkeling een onderscheid gemaakt tussen taaibegrip
en taalgebruik of -expressie.
7.2.2 de vroeglinguale fase
De fase van taalontwikkeling van 12 maanden tot 2,5 jaar wordt de
vroeglinguale
lase genoemd. Deze fase bestaat uit het leren van woorden, het
leren van grammaticale regels en het leren van zinnen.
, Het leren van woorden
Vanaf de twaalfde maand zullen de meeste kinderen hun eerste
woordjes produceren. Deze hebben betrekking op bekende
personen, lichaamsdelen, dieren en voorwerpen. Ook kunnen de
eerste woordjes slaan op beweging of gevoelens. kinderen tussen
de 18 en 23 maanden gemiddeld 100 woorden spontaan gebruiken
en een gemiddelde zinslengte van ruim twee woorden hebben.
Kinderen in de leeftijd van 24 tot 29 maanden gebruiken gemiddeld
184 woorden en produceren een gemiddelde zinslengte van drie en
een half woord. Kinderen van 30 tot 35 maanden hebben een
woordenschat van 26 woorden en een gemiddelde zinslengte van
vier woorden.
Peuters maken in de vroeglinguale fase kenmerkende fouten:
overextensie en onderextensie. Overextensie is het gebruik van een
woord in een te ruime betekenis. Onderextensie is het omgekeerde,
wanneer een kind een woord te restrictief toepast, bijvoorbeeld als
bal alleen wordt gebruikt voor een balletje waar het kind geregeld
mee speelt maar niet voor ballen van andere kleuren of omvang.
Het leren van grammaticale regels
De eerste woorden die peuters leren zijn enkelvoudige morfemen
die een betekenis hebben. Vervolgens worden er grammaticale
morfemen toegevoegd. Dit zijn taalelementen die op zichzelf weinig
betekenis hebben, maar die de betekenis van woorden of zinnen op
een systematische manier kunnen veranderen. Als kinderen regels
toepassen waar ze uitzonderingsregels hadden moeten gebruiken,
wordt dat overregularisatie genoemd.
Het leren van zinnen
In het begin worden losse woorden gebruikt om iets uit te drukken.
Dit worden eenwoordzinnen genoemd omdat een woord
verscheidene betekenissen kan hebben afhankelijk van de context.
Tussen 18 en 24 maanden beginnen peuters tweewoordzinnen te
gebruiken.Omdat de eerste tweewoordzinnen meestal uit
werkwoorden of zelfstandig naamwoorden bestaan, worden deze
zinnetjes aangeduid met telegramstijl. Niet alleen de woordenschat
breidt zich uit, ook de zinsbouw wordt complexer, en geleidelijk
worden syntaxisregels toegepast. Het kind leert regels toepassen
om woorden behorend bij verscheidene klassen te combineren tot
zinnen. Uiteraard zijn peuters zich niet bewust van het toepassen
van abstracte syntactische regels.
7.2.3 Biologische en omgevingsfactoren
Hoewel er weinig harde feiten zijn, wordt verondersteld dat er een
gevoelige of kritieke periode is waarbinnen taal zich optimaal kan
ontwikkelen. Dit heeft mogelijk te maken met de verbindingen
7.1 Inleiding
De peutertijd loopt van ongeveer 12 maanden, als het kind heeft
leren lopen, tot ongeveer 2,5 jaar. Hierin staan de taalontwikkeling
en de toename van motorische vaardigheden centraal.
7.2 Cognitieve ontwikkeling: de ontwikkeling van taal
De taalontwikkeling in het Ie jaar wordt de prelinguale fase
genoemd omdat er nog geen sprake is van echte spraak. De
volgende fase van de taalontwikkeling, die van 12 maanden tot 2,5
jaar loopt, heet de vroeglingualefase. Aan het einde van het 2e
levensjaar heeft het kind twee belangrijke cognitieve vaardigheden
verworven: symbolisch denken en objectpermanentie. Zoals hier
onder besproken zijn beide vaardigheden belangrijk voor de
ontwikkeling van autonomie en voor de taalontwikkeling. De
symbolische representatie van voorwerpen en personen is van
belang voor de taalontwikkeling omdat aan symbolen een woord
verbonden kan worden. Objectpermanentie is van belang voor de
ontwikkeling van autonomie omdat het kind de afwezigheid van de
verzorgers pas kan verdragen als deze als innerlijk beeld blijven
voortbestaan ook al zijn zij uit het zicht.
7.2.1 De bouwstenen van taal
Taal is opgebouwd uit vijf elementen: fonologische, semantische,
morfologische, syntactische en pragmatische elementen.
• Fonologie verwijst naar klanken en regels waarmee klanken,
gecombineerd worden tot woorden.
• Semantiek verwijst naar de betekenis van woorden en zinnen.
• Morfologie verwijst naar betekenisvolle elementen waarmee
woorden gevormd worden.
• Syntax verwijst naar grammaticale regels waarmee woorden tot
zinnen gecombineerd worden.
• Pragmatiek verwijst naar het gebruik van taal in een sociale
context, zoals het initiëren of onderhouden van een conversatie.
Er wordt bij taalontwikkeling en bij het beoordelen van problemen
in de taalontwikkeling een onderscheid gemaakt tussen taaibegrip
en taalgebruik of -expressie.
7.2.2 de vroeglinguale fase
De fase van taalontwikkeling van 12 maanden tot 2,5 jaar wordt de
vroeglinguale
lase genoemd. Deze fase bestaat uit het leren van woorden, het
leren van grammaticale regels en het leren van zinnen.
, Het leren van woorden
Vanaf de twaalfde maand zullen de meeste kinderen hun eerste
woordjes produceren. Deze hebben betrekking op bekende
personen, lichaamsdelen, dieren en voorwerpen. Ook kunnen de
eerste woordjes slaan op beweging of gevoelens. kinderen tussen
de 18 en 23 maanden gemiddeld 100 woorden spontaan gebruiken
en een gemiddelde zinslengte van ruim twee woorden hebben.
Kinderen in de leeftijd van 24 tot 29 maanden gebruiken gemiddeld
184 woorden en produceren een gemiddelde zinslengte van drie en
een half woord. Kinderen van 30 tot 35 maanden hebben een
woordenschat van 26 woorden en een gemiddelde zinslengte van
vier woorden.
Peuters maken in de vroeglinguale fase kenmerkende fouten:
overextensie en onderextensie. Overextensie is het gebruik van een
woord in een te ruime betekenis. Onderextensie is het omgekeerde,
wanneer een kind een woord te restrictief toepast, bijvoorbeeld als
bal alleen wordt gebruikt voor een balletje waar het kind geregeld
mee speelt maar niet voor ballen van andere kleuren of omvang.
Het leren van grammaticale regels
De eerste woorden die peuters leren zijn enkelvoudige morfemen
die een betekenis hebben. Vervolgens worden er grammaticale
morfemen toegevoegd. Dit zijn taalelementen die op zichzelf weinig
betekenis hebben, maar die de betekenis van woorden of zinnen op
een systematische manier kunnen veranderen. Als kinderen regels
toepassen waar ze uitzonderingsregels hadden moeten gebruiken,
wordt dat overregularisatie genoemd.
Het leren van zinnen
In het begin worden losse woorden gebruikt om iets uit te drukken.
Dit worden eenwoordzinnen genoemd omdat een woord
verscheidene betekenissen kan hebben afhankelijk van de context.
Tussen 18 en 24 maanden beginnen peuters tweewoordzinnen te
gebruiken.Omdat de eerste tweewoordzinnen meestal uit
werkwoorden of zelfstandig naamwoorden bestaan, worden deze
zinnetjes aangeduid met telegramstijl. Niet alleen de woordenschat
breidt zich uit, ook de zinsbouw wordt complexer, en geleidelijk
worden syntaxisregels toegepast. Het kind leert regels toepassen
om woorden behorend bij verscheidene klassen te combineren tot
zinnen. Uiteraard zijn peuters zich niet bewust van het toepassen
van abstracte syntactische regels.
7.2.3 Biologische en omgevingsfactoren
Hoewel er weinig harde feiten zijn, wordt verondersteld dat er een
gevoelige of kritieke periode is waarbinnen taal zich optimaal kan
ontwikkelen. Dit heeft mogelijk te maken met de verbindingen