schoolleeftijd
9.1 Inleiding
De periode van de schoolleeftijd loopt ongeveer 6 tot 12 jaar.Om te
kunnen lezen en rekenen moeten kinderen een aantal cognitieve
vaardigheden bezitten, zoals het vermogen klanken en tekens te
onderscheiden, het vermogen goed te kunnen onthouden en zich
voldoende te kunnen concentreren.
Kinderen vanaf de leeftijd van 6 jaar kunnen steeds beter logisch
redeneren. Ook neemt vanaf het 6e jaar de
informatieverwerkingscapaciteit toe en verbetert de controle over
de aandacht en het geheugen.
9.2 Cognitieve ontwikkeling
9.2.1 De concreet-operationele periode
Rond het 7e jaar ontstaat een vorm van denken die het mogelijk
maakt logisch te redeneren. Dit uit zich onder andere in het
beheersen van de principes van conservatie van getal, gewicht en
volume. Door denkoperaties kunnen kinderen hun interne
representaties mentaal bewerken. Zij voeren een soort
gedachtehandelingen uit. Een belangrijk principe hierbij is dat van
de reversibüiteit. In gedachten kan het concreet-operationele kind
een handeling weer terugbrengen tot de oorspronkelijke toestand.
De meeste ontwikkelingspsychologen beschouwen de schoolleeftijd
als een belangrijke overgangsfase in de manier waarop kinderen
denken, hoewel de huidige visie is dat deze overgang niet zo abrupt
en allesomvattend is als Piaget voorstelde. Piaget zag de cognitieve
ontwikkeling als een biologisch bepaalde en vaste fasegewijze
vorming van denkstructuren die relalief onafhankelijk zijn van
ervaringen en leren. Andere onderzoekers vonden echter wel
aanwijzingen dat formeel leren invloed heeft op de cognitieve
ontwikkeling. Piaget onderschreef overigens wel het nut van de
invloed van de omgeving maar dan met betrekking tot het bieden
van de gelegenheid tot oefenen en experimenteren. Op de
schoolleeftijd ontsiaal het vermogen voorwerpen in te delen op
basis van meerdere dimensies tegelijk, bijvoorbeeld op een
combinatie van vorm en kleur. Abstract denken wordt pas mogelijk
in de adolescentie. Het vermogen om door nadenken problemen op
te lossen is deels gebaseerd op het kunnen uitvoeren van
denkoperaties zoals die verworven worden in de concreet-
operationele periode. Voor een deel heeft het kunnen oplossen van
problemen ook te maken met domeinspecifieke kennis en
vaardigheden. Omdat kinderen tussen de 6 en 12 jaar een grote
hoeveelheid specifieke informatie missen is hun manier van
redeneren vaak nog incompleet.
9.2.2 Geheugen en kennis
, De geheugenfunctie is belangrijk voor het leren. De
geheugencapaciteit, met name die van het kortetermijngeheugen
of werkgeheugen, neemt gedurende de ontwikkeling toe. Er is dus
sprake van een toename van de functionele capaciteit. Ook is er
een toename van informatie die is opgeslagen in het langetermijn-
geheugen. Dit kan beschouwd worden als kennis dit een individu
heeft. Piaget maakte onderscheid tussen geheugen in engere zin en
geheugen in algemene zin. Geheugen in engere zin heeft te maken
met het zich herinneren van specifieke informatie die eerder is
waargenomen. Geheugen in algemene zin heeft volgens Piaget te
maken met het vasthouden van alle verworvenheden van iemands
cognitieve ontwikkeling. Dit laatste werd door Piaget als kennis
beschouwd. Kinderen onder de 11 jaar zijn beter in staat dan
oudere kinderen om informatie die zijdelings - dat wil zeggen niet
tot de hoofdtaak behorend - wordt aangeboden, te onthouden. In
het belang van een goede geheugenfunctie ontwikkelen kinderen
geheugenstrategieën om informatie beter op te slaan in het
langetermijngeheugen en deze informatie er ook weer uit op te
roepen.
Ten slotte ontwikkelen kinderen in de schoolperiode een eigenschap
die metacognitie wordt genoemd. Dit is het vermogen om effectief
cognitieve strategieën te
selecteren en toe te passen. Metacognitie heeft dus te maken met
het zich bewust zijn van eigen denkprocessen.
9.2.3 Aandacht
Kinderen op de schoolleeftijd zijn toenemend in staat om hun
aandacht te richten op een bepaalde activiteit en om tegelijkertijd
niet-relevante prikkels te negeren (selectieve aandacht).
9.3 De school en het leren
Aan het maken van vorderingen op het gebied van schoolse
vaardigheden wordt in onze samenleving veel belang gehecht. Een
groot deel van wat kinderen in de westerse maatschappij leren
vindt plaats op school. Onderwijs wordt wel beschouwd als
gedelegeerde opvoeding.
9.3.1 Leren
Het verwerven van nieuwe vaardigheden en kennis kan gezien
worden als het resultaat van rijping en leren. Leren wordt
gedefinieerd als het veranderen van een respons als gevolg van
opgedane ervaring. In bredere zin kan leren opgevat worden als
min of meer duurzame veranderingen in individueel presteren als
functie van ervaring. Leren duidt op het vermogen te profiteren van
nieuwe ervaringen. Om te kunnen leren zijn er mogelijkheden en
beperkingen die biologisch bepaald zijn en is er een omgeving
9.1 Inleiding
De periode van de schoolleeftijd loopt ongeveer 6 tot 12 jaar.Om te
kunnen lezen en rekenen moeten kinderen een aantal cognitieve
vaardigheden bezitten, zoals het vermogen klanken en tekens te
onderscheiden, het vermogen goed te kunnen onthouden en zich
voldoende te kunnen concentreren.
Kinderen vanaf de leeftijd van 6 jaar kunnen steeds beter logisch
redeneren. Ook neemt vanaf het 6e jaar de
informatieverwerkingscapaciteit toe en verbetert de controle over
de aandacht en het geheugen.
9.2 Cognitieve ontwikkeling
9.2.1 De concreet-operationele periode
Rond het 7e jaar ontstaat een vorm van denken die het mogelijk
maakt logisch te redeneren. Dit uit zich onder andere in het
beheersen van de principes van conservatie van getal, gewicht en
volume. Door denkoperaties kunnen kinderen hun interne
representaties mentaal bewerken. Zij voeren een soort
gedachtehandelingen uit. Een belangrijk principe hierbij is dat van
de reversibüiteit. In gedachten kan het concreet-operationele kind
een handeling weer terugbrengen tot de oorspronkelijke toestand.
De meeste ontwikkelingspsychologen beschouwen de schoolleeftijd
als een belangrijke overgangsfase in de manier waarop kinderen
denken, hoewel de huidige visie is dat deze overgang niet zo abrupt
en allesomvattend is als Piaget voorstelde. Piaget zag de cognitieve
ontwikkeling als een biologisch bepaalde en vaste fasegewijze
vorming van denkstructuren die relalief onafhankelijk zijn van
ervaringen en leren. Andere onderzoekers vonden echter wel
aanwijzingen dat formeel leren invloed heeft op de cognitieve
ontwikkeling. Piaget onderschreef overigens wel het nut van de
invloed van de omgeving maar dan met betrekking tot het bieden
van de gelegenheid tot oefenen en experimenteren. Op de
schoolleeftijd ontsiaal het vermogen voorwerpen in te delen op
basis van meerdere dimensies tegelijk, bijvoorbeeld op een
combinatie van vorm en kleur. Abstract denken wordt pas mogelijk
in de adolescentie. Het vermogen om door nadenken problemen op
te lossen is deels gebaseerd op het kunnen uitvoeren van
denkoperaties zoals die verworven worden in de concreet-
operationele periode. Voor een deel heeft het kunnen oplossen van
problemen ook te maken met domeinspecifieke kennis en
vaardigheden. Omdat kinderen tussen de 6 en 12 jaar een grote
hoeveelheid specifieke informatie missen is hun manier van
redeneren vaak nog incompleet.
9.2.2 Geheugen en kennis
, De geheugenfunctie is belangrijk voor het leren. De
geheugencapaciteit, met name die van het kortetermijngeheugen
of werkgeheugen, neemt gedurende de ontwikkeling toe. Er is dus
sprake van een toename van de functionele capaciteit. Ook is er
een toename van informatie die is opgeslagen in het langetermijn-
geheugen. Dit kan beschouwd worden als kennis dit een individu
heeft. Piaget maakte onderscheid tussen geheugen in engere zin en
geheugen in algemene zin. Geheugen in engere zin heeft te maken
met het zich herinneren van specifieke informatie die eerder is
waargenomen. Geheugen in algemene zin heeft volgens Piaget te
maken met het vasthouden van alle verworvenheden van iemands
cognitieve ontwikkeling. Dit laatste werd door Piaget als kennis
beschouwd. Kinderen onder de 11 jaar zijn beter in staat dan
oudere kinderen om informatie die zijdelings - dat wil zeggen niet
tot de hoofdtaak behorend - wordt aangeboden, te onthouden. In
het belang van een goede geheugenfunctie ontwikkelen kinderen
geheugenstrategieën om informatie beter op te slaan in het
langetermijngeheugen en deze informatie er ook weer uit op te
roepen.
Ten slotte ontwikkelen kinderen in de schoolperiode een eigenschap
die metacognitie wordt genoemd. Dit is het vermogen om effectief
cognitieve strategieën te
selecteren en toe te passen. Metacognitie heeft dus te maken met
het zich bewust zijn van eigen denkprocessen.
9.2.3 Aandacht
Kinderen op de schoolleeftijd zijn toenemend in staat om hun
aandacht te richten op een bepaalde activiteit en om tegelijkertijd
niet-relevante prikkels te negeren (selectieve aandacht).
9.3 De school en het leren
Aan het maken van vorderingen op het gebied van schoolse
vaardigheden wordt in onze samenleving veel belang gehecht. Een
groot deel van wat kinderen in de westerse maatschappij leren
vindt plaats op school. Onderwijs wordt wel beschouwd als
gedelegeerde opvoeding.
9.3.1 Leren
Het verwerven van nieuwe vaardigheden en kennis kan gezien
worden als het resultaat van rijping en leren. Leren wordt
gedefinieerd als het veranderen van een respons als gevolg van
opgedane ervaring. In bredere zin kan leren opgevat worden als
min of meer duurzame veranderingen in individueel presteren als
functie van ervaring. Leren duidt op het vermogen te profiteren van
nieuwe ervaringen. Om te kunnen leren zijn er mogelijkheden en
beperkingen die biologisch bepaald zijn en is er een omgeving