College 1 (22 september 2015):
Wat heb je nodig om een nieuwe cel te maken?
- Scheiding binnen/buiten > membraan
- Energie uit omgeving: glucose > transport, elektronendragers
- Repliceren (DNA/RNA, informatie) + mechanisme om dit te gebruiken
(ribosomen)
- Bouwstenen (C, N, P, O…) > koppelen (enzymen)
- Organisatiestructuur > dit kun je eigenlijk niet zelf maken zonder bestaande
cel nodig te hebben
70% van de cel bestaat uit water, 30% chemicaliën: DNA/RNA, eiwitten, fosfolipiden,
polysachariden, ionen, kleine moleculen
Membranen:
Functies membranen:
- Afscheiding cel-omgeving van kleine moleculen, ionen en grote moleculen
- Afscheiding organellen
- Genereren/controleren van gradiënten
- Genereren/controleren van potentialen
- Matrix voor eiwitten
Benodigde eigenschappen:
- Afsluitend
- Selectief permeabel (dynamisch)
- Kunnen functioneren in waterige omgeving
- Rekbaar/vormbaar
Dierlijke cellen: plasmamembraan meestal buitenkant van de cel. Planten,
schimmels en bacteriën hebben ook nog een celwand!
Hydrofobe stoffen gaan makkelijk door de celmembraan heen, polaire moleculen
wat moeilijker en ionen het moeilijkst.
Oplosbaarheid in water hangt af van de polariteit (polair lost beter op dan
apolair) van de stof en of oplossen de vrije energie verlaagt (verlaging vrije
energie = energetisch gunstig, dus zal oplossen)
Lipidestructuur bepaalt de structuur van het opgeloste deeltje > micel (bij één
vetzuurstaart) of bilayer (bij twee vetzuurstaarten)
, Detergentia > hydrofobe staart en hydrofiele kop >
hierdoor kunnen ze celmembranen oplossen en in
membranen oplossen
Zeepbel:
Een membraan is zelfhelend, want energetisch is het
het meest gunstig als de apolaire staarten helemaal
niet in aanraking komen met het water
Liposomen = membraanblaasjes, gebruikt voor oa drug-delivery > de drug is
daardoor niet in oplossing in de bloedbaan aanwezig en er kan zo een lagere dosis
gebruikt worden en minder bijwerkingen > deze liposomen ontstaan spontaan als je
fosfolipiden in water brengt en schudt
Fosfolipide:
Variaties kunnen zitten in de fatty acid (hydrofobe gedeelte dat aan de binnenkant
van het membraan zit) en de kopgroep (hydrofiele gedeelte dat aan de buitenkanten
van het membraan zit). Bij de alcohol kunnen verschillende kopgroepen zitten die
verschillen in polariteit en lading > zorgen voor een basis ladingsverschil
Mogelijke kopgroepen die je moet weten:
- Serine > ethanol met NH3+ en COO-, polair, + en –
- Ethanolamine > ethanol met NH3+, polair, positief geladen
- Choline > ethanol met een N+ met 3× CH3 eraan, polair, positief geladen
- Glycerol > 3 C’s met aan elke een OH en H, polair, neutraal
- Inositol > 6 C’s in ring met aan elke een OH en een H, polair, neutraal >
belangrijk signaalfosfolipide
Wat heb je nodig om een nieuwe cel te maken?
- Scheiding binnen/buiten > membraan
- Energie uit omgeving: glucose > transport, elektronendragers
- Repliceren (DNA/RNA, informatie) + mechanisme om dit te gebruiken
(ribosomen)
- Bouwstenen (C, N, P, O…) > koppelen (enzymen)
- Organisatiestructuur > dit kun je eigenlijk niet zelf maken zonder bestaande
cel nodig te hebben
70% van de cel bestaat uit water, 30% chemicaliën: DNA/RNA, eiwitten, fosfolipiden,
polysachariden, ionen, kleine moleculen
Membranen:
Functies membranen:
- Afscheiding cel-omgeving van kleine moleculen, ionen en grote moleculen
- Afscheiding organellen
- Genereren/controleren van gradiënten
- Genereren/controleren van potentialen
- Matrix voor eiwitten
Benodigde eigenschappen:
- Afsluitend
- Selectief permeabel (dynamisch)
- Kunnen functioneren in waterige omgeving
- Rekbaar/vormbaar
Dierlijke cellen: plasmamembraan meestal buitenkant van de cel. Planten,
schimmels en bacteriën hebben ook nog een celwand!
Hydrofobe stoffen gaan makkelijk door de celmembraan heen, polaire moleculen
wat moeilijker en ionen het moeilijkst.
Oplosbaarheid in water hangt af van de polariteit (polair lost beter op dan
apolair) van de stof en of oplossen de vrije energie verlaagt (verlaging vrije
energie = energetisch gunstig, dus zal oplossen)
Lipidestructuur bepaalt de structuur van het opgeloste deeltje > micel (bij één
vetzuurstaart) of bilayer (bij twee vetzuurstaarten)
, Detergentia > hydrofobe staart en hydrofiele kop >
hierdoor kunnen ze celmembranen oplossen en in
membranen oplossen
Zeepbel:
Een membraan is zelfhelend, want energetisch is het
het meest gunstig als de apolaire staarten helemaal
niet in aanraking komen met het water
Liposomen = membraanblaasjes, gebruikt voor oa drug-delivery > de drug is
daardoor niet in oplossing in de bloedbaan aanwezig en er kan zo een lagere dosis
gebruikt worden en minder bijwerkingen > deze liposomen ontstaan spontaan als je
fosfolipiden in water brengt en schudt
Fosfolipide:
Variaties kunnen zitten in de fatty acid (hydrofobe gedeelte dat aan de binnenkant
van het membraan zit) en de kopgroep (hydrofiele gedeelte dat aan de buitenkanten
van het membraan zit). Bij de alcohol kunnen verschillende kopgroepen zitten die
verschillen in polariteit en lading > zorgen voor een basis ladingsverschil
Mogelijke kopgroepen die je moet weten:
- Serine > ethanol met NH3+ en COO-, polair, + en –
- Ethanolamine > ethanol met NH3+, polair, positief geladen
- Choline > ethanol met een N+ met 3× CH3 eraan, polair, positief geladen
- Glycerol > 3 C’s met aan elke een OH en H, polair, neutraal
- Inositol > 6 C’s in ring met aan elke een OH en een H, polair, neutraal >
belangrijk signaalfosfolipide