De respiratoire en cardiovasculaire systemen werken samen om te
zorgen voor een efficiënt transportsysteem dat zuurstof naar onze
lichaamsweefsels brengt en kooldioxide eruit verwijdert. Dit
transport omvat vier afzonderlijke processen:
• de longventilatie (ademhaling), de beweging van de buitenlucht
naar de longen bij iedere in-en uitademing;
• de longdiffusie, de uitwisseling van zuurstof en kooldioxide tussen
de longen en het bloed;
• het transport van zuurstof en kooldioxide via het bloed;
• de gasuitwisseling in de capillairen, de uitwisseling van zuurstof
en kooldioxide tussen het capillaire bloed en de metabool actieve
weefsels.
De eerste twee processen worden de externe respiratie genoemd
omdat ze gassen van buiten het lichaam naar de longen vervoeren
en vervolgens naar het bloed transporteren. Als deze gassen
eenmaal in het bloed zijn, moeten ze naar de weefsels worden
gebracht. Als het bloed bij de weefsels komt, vindt de vierde stap
van de respiratie plaats. De gaswisseling tussen bloed en weefsels
wordt de interne respiratie genoemd. De interne en de externe
respiratie zijn dus verbonden via de bloedsomloop.
Longventilatie
Longventilatie (pulmonale ventilatie), gewoonlijk ademhaling
genoemd, is het proces waarmee we lucht in en uit de longen
verplaatsen. De lucht komt de longen binnen via de neus, hoewel
de mond ook moet worden gebruikt als de vraag naar lucht groter
wordt dan de hoeveelheid die alleen binnengehaald kan worden
door de neus. Het inademen door de neus levert weliswaar meer
weerstand, maar heeft bepaalde voordelen boven
mondademhaling. De lucht wordt verwarmd en bevochtigd terwijl
het langs de onregelmatige benige oppervlakken (schelpen) binnen
de neus wervelt. Van even groot belang is dat de schelpen de
geïnhaleerde lucht omwoelen, waardoor stof
en andere partikels in contact komen met het slijmvlies (nasale
mucosa) en eraan vastkleven. Dit filtert de meeste partikeltjes uit
de lucht en minimaliseert de kans op irritatie en respiratoire
infecties. Via de neus en de mond gaat de lucht door de keelholte,
het strottenhoofd, de luchtpijp (trachea) en de bronchiën. Deze
anatomische structuren dienen als transportgedeelte, omdat
gaswisseling hierin niet kan plaatsvinden. De uitwisseling van
zuurstof en kooldioxide vindt plaats als de lucht uiteindelijk de
kleinste respiratoire eenheden bereikt: de bronchioli en de alveoli
(longblaasjes). De bronchioli zijn voornamelijk transportbuisjes,
maar ze bevatten al clusters van alveoli. Hier vindt de
gasuitwisseling in de longen plaats. De longen zijn niet direct aan
de ribben bevestigd: ze zijn opgehangen in de pleurale zakken.
, Deze pleurale zakken hebben een dubbele wand. De pariëtale
pleura bekleedt de thoracale wand en de viscerale (of pulmonale)
pleura bekleedt de buitenkant van de longen. De pleurale wanden
omgeven de longen. Tussen de dubbele wand bevindt zich een
dunne laag vloeistof, om de wrijving tijdens de
ademhalingsbewegingen te verlagen. De zakken zijn bevestigd aan
de longen en aan de binnenkant van de borst. Dit zorgt ervoor dat
de longen de vorm en de grootte van de ribben of de borstholte
aannemen terwijl de borstholte uitzet en verkleint. De anatomie
van de longen, de pleura en de borstholte bepalen de luchtstroom
in en uit de longen, de inspiratie en expiratie.
Inspiratie
Inspiratie (inademing) is een actief proces waarbij het diafragma en
de externe intercostale spieren betrokken zijn. bij inspiratie worden
de ribben en het sternum bewogen door de externe
tussenribspieren. De ribben zwaaien naar boven en naar buiten, het
sternum(borstbeen) zwaait naar boven en naar voren. Tegelijkertijd
contraheert het diafragma en vlakt het naar beneden af richting de
buikholte. Ze vergroten alle drie de afmetingen van de borstholte,
die op haar beurt de longen vergroot en uitrekt. Als de longen
worden vergroot, neemt hun volume toe, en heeft de lucht meer
ruimte om te vullen. Als gevolg van de gaswet van Boyle, die zegt
dat druk x volume een constante is, neemt de druk in de longen af.
De druk in de longen (intrapulmonale druk) wordt dus lager dan de
luchtdruk buiten het lichaam. Omdat het respiratoire kanaal naar
buiten toe open is, stroomt er lucht de longen binnen om het
zorgen voor een efficiënt transportsysteem dat zuurstof naar onze
lichaamsweefsels brengt en kooldioxide eruit verwijdert. Dit
transport omvat vier afzonderlijke processen:
• de longventilatie (ademhaling), de beweging van de buitenlucht
naar de longen bij iedere in-en uitademing;
• de longdiffusie, de uitwisseling van zuurstof en kooldioxide tussen
de longen en het bloed;
• het transport van zuurstof en kooldioxide via het bloed;
• de gasuitwisseling in de capillairen, de uitwisseling van zuurstof
en kooldioxide tussen het capillaire bloed en de metabool actieve
weefsels.
De eerste twee processen worden de externe respiratie genoemd
omdat ze gassen van buiten het lichaam naar de longen vervoeren
en vervolgens naar het bloed transporteren. Als deze gassen
eenmaal in het bloed zijn, moeten ze naar de weefsels worden
gebracht. Als het bloed bij de weefsels komt, vindt de vierde stap
van de respiratie plaats. De gaswisseling tussen bloed en weefsels
wordt de interne respiratie genoemd. De interne en de externe
respiratie zijn dus verbonden via de bloedsomloop.
Longventilatie
Longventilatie (pulmonale ventilatie), gewoonlijk ademhaling
genoemd, is het proces waarmee we lucht in en uit de longen
verplaatsen. De lucht komt de longen binnen via de neus, hoewel
de mond ook moet worden gebruikt als de vraag naar lucht groter
wordt dan de hoeveelheid die alleen binnengehaald kan worden
door de neus. Het inademen door de neus levert weliswaar meer
weerstand, maar heeft bepaalde voordelen boven
mondademhaling. De lucht wordt verwarmd en bevochtigd terwijl
het langs de onregelmatige benige oppervlakken (schelpen) binnen
de neus wervelt. Van even groot belang is dat de schelpen de
geïnhaleerde lucht omwoelen, waardoor stof
en andere partikels in contact komen met het slijmvlies (nasale
mucosa) en eraan vastkleven. Dit filtert de meeste partikeltjes uit
de lucht en minimaliseert de kans op irritatie en respiratoire
infecties. Via de neus en de mond gaat de lucht door de keelholte,
het strottenhoofd, de luchtpijp (trachea) en de bronchiën. Deze
anatomische structuren dienen als transportgedeelte, omdat
gaswisseling hierin niet kan plaatsvinden. De uitwisseling van
zuurstof en kooldioxide vindt plaats als de lucht uiteindelijk de
kleinste respiratoire eenheden bereikt: de bronchioli en de alveoli
(longblaasjes). De bronchioli zijn voornamelijk transportbuisjes,
maar ze bevatten al clusters van alveoli. Hier vindt de
gasuitwisseling in de longen plaats. De longen zijn niet direct aan
de ribben bevestigd: ze zijn opgehangen in de pleurale zakken.
, Deze pleurale zakken hebben een dubbele wand. De pariëtale
pleura bekleedt de thoracale wand en de viscerale (of pulmonale)
pleura bekleedt de buitenkant van de longen. De pleurale wanden
omgeven de longen. Tussen de dubbele wand bevindt zich een
dunne laag vloeistof, om de wrijving tijdens de
ademhalingsbewegingen te verlagen. De zakken zijn bevestigd aan
de longen en aan de binnenkant van de borst. Dit zorgt ervoor dat
de longen de vorm en de grootte van de ribben of de borstholte
aannemen terwijl de borstholte uitzet en verkleint. De anatomie
van de longen, de pleura en de borstholte bepalen de luchtstroom
in en uit de longen, de inspiratie en expiratie.
Inspiratie
Inspiratie (inademing) is een actief proces waarbij het diafragma en
de externe intercostale spieren betrokken zijn. bij inspiratie worden
de ribben en het sternum bewogen door de externe
tussenribspieren. De ribben zwaaien naar boven en naar buiten, het
sternum(borstbeen) zwaait naar boven en naar voren. Tegelijkertijd
contraheert het diafragma en vlakt het naar beneden af richting de
buikholte. Ze vergroten alle drie de afmetingen van de borstholte,
die op haar beurt de longen vergroot en uitrekt. Als de longen
worden vergroot, neemt hun volume toe, en heeft de lucht meer
ruimte om te vullen. Als gevolg van de gaswet van Boyle, die zegt
dat druk x volume een constante is, neemt de druk in de longen af.
De druk in de longen (intrapulmonale druk) wordt dus lager dan de
luchtdruk buiten het lichaam. Omdat het respiratoire kanaal naar
buiten toe open is, stroomt er lucht de longen binnen om het