Uit een zaad kan een kiemplantje ontstaan. Het plantje wordt steeds
groter. Tijdens het groeien verandert ook de vorm van de plant.
Planten, dieren en mensen groeien net als andere organismen. Zelf
ben je groter en zwaarder dan toen je een baby was. Groei is het
groter en zwaarder worden van een organisme.
De meeste plantjes groeien uit zaden. Een voorbeeld van een zaad is
de bruine boon. Aan de buitenkant van de bruine boon zit een stevig
bruin vlies: de zaadhuid. De zaadhuid beschermt het zaad. De witte
vlek op een bruine boon noem je ne navel. Met de navel heeft het
zaad vastgezeten aan de plant. Onder de navel zit een hartvormig
bultje. Aan de andere kant van zit een heel klein gaatje in de
zaadhuid. Dat gaatje heet het poortje. Door het poortje kan een zaad
snel water opnemen. Water is nodig voor de kieming. In het zaad zit
een kiem. Het begin van een nieuwe plant. De kieming begint als het
zaad water opneemt. Tijdens de kieming groeit de kiem uit tot een
kiemplantje. De eerste blaadjes die boven de grond komen zijn de
zaadlobben. Dat zijn twee helften van het zaad. In de zaadlobben zijn
voedingsstoffen (reservevoedsel) opgeslagen. Bij de kieming
verbruikt het kiemplantje de voedingsstoffen uit de zaadlobben.