Aantekeningen fysiologie/biomedisch
BMD.CO1 ̶ Inleiding Fysiologie/ Biomedisch
- Hulpmiddel als beeldmateriaal: interactive physiology handleiding
- Ook handig om te gebruiken, om extra op te zoeken (plaatjes): bioplek
Empirische cyclus
- Hypothese/vraagstelling/theorie -> onderzoeksopzet -> gegevens
verzamelen -> analyse van gegevens -> conclusies -> (toepassingen)
Organisatieniveau’s
- Organisme
- Orgaanstelsel
- Orgaan
- Weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie inclusief het
interstitium (tussenstof)
- Cel: verschillende functies, functie afhankelijk van: vorm, grootte,
structuren in de cel
- Celorganel: celkern (DNA) zitten chromatiden in (DNA alleen aflezen als het
is uitgerold), mitochondriën: ATP vorming (energie) ATP(3 fosfaat)(energie)
-> ADP (geen energie) in mitochondriën ADP + P -> AT,
endoplasmatisch reticulum(membranen), ruw-endoplasmatisch reticulum
(eiwitsynthese), golgi-complex (koolhydraatsynthese)
- Molecuul: water, eiwitten, lipiden, koolhydraten, stikstofhoudende basen
(Energierijke fosfaten (atp) / nucleinezuren (DNA en RNA))
Moleculaire stoffen
- Water: hydrofiel of hydrofoob
Hydrofiel (lipofoob): lost gemakkelijk in water op, positieve of negatief
geladen ionen, polaire stoffen
Hydrofoob (lipofiel): moeilijk oplosbaar in water, apolaire stof (vb. methaan
CH4)
- Eiwitten, functies: enzymen, bouwstoffen, receptor, transportfunctie,
aanhechtingsplaats cytoskelet
- Koolhydraten
Monosacharide: 1 ring
Disacharide: 2 ringen
Polysacharide: glycogeen
Ribose: in RNA
Desoxyribose: in DNA
- Lipiden/vetten: polair gedeelte (kop) en een apolair gedeelte (2 staarten)
- Celmembraan:
Difussie: passief transport (geen energie)
Actief membraantransport: kost energie, ATP is nodig exocytose(naar
buiten), endocytose(naar binnen/opnemen)
, BMD.CO3 ̶ Communicatie en sturing, deel 1:
Prikkelvorming en membraanpotentiaal
Communicatie in je lichaam is heel belangrijk in je lichaam
Cel wordt geprikkeld sensor sensorisch neuron overgedragen op
andere neurons hersenen hersenen bepalen reactie
Centraal zenuwstelsel: hersenen en ruggenmerg
Perifiere zenuwstelsel: uitlopers
Zenuwcel
- In het cellichaam worden de neurotransmitters gemaakt wat wordt
aangestuurd door de celkern
- Mitochondrien: energie, stofwisseling proces
- Synaps: bestaat uit eiwitten, geeft signalen door aan volgende
neuronen/spiervezel
Gliacellen
- Ondersteuning activiteit neuronen
- Vb astrocyt: Vormen een barierre waardoor niet alle stoffen naar de
hersenen kunnen gaan, heel veel stoffen worden tegengehouden
- Cel van schwann en oligodendrocyt: geleidingssnelheid van neuronen
verhogen isolerende functie zodat het signaal niet wegraakt
Neuronen
- Perifere sensorische neuronen: sensoren worden geprikkeld door de
zintuigen en dit wordt doorgegeven
- Schakelneuronen: zorgen dat ze richting het centraal zenuwstelsel gaan
en weer terug komen vanuit het centraal zenuwstelsel
- Perifere motorische neuronen: zorgen voor actie na de prikkel
Bouw neuron:
- Receptief: ontvangen
- Conductief: voortgeleiden
- Transmissief: overdragen (in motorische eindplaat, in synaps)
- Bij een perifeer sensorisch neuron zit het cellichaam met de celkern
ernaast, daardoor speelt het cellichaam hierbij geen rol bij de axon
Water kan niet goed door een vetachtig celmembraan en vetachtige
stoffen zouden wel makkelijk erdoor heen kunnen.
Vloeibaarmozaikmodel: doordat de eiwitten overal in het cytoplasma
zweven en kunnen veranderen van plaats wordt het een
vloeibaarmozaikmodel genoemd
BMD.CO1 ̶ Inleiding Fysiologie/ Biomedisch
- Hulpmiddel als beeldmateriaal: interactive physiology handleiding
- Ook handig om te gebruiken, om extra op te zoeken (plaatjes): bioplek
Empirische cyclus
- Hypothese/vraagstelling/theorie -> onderzoeksopzet -> gegevens
verzamelen -> analyse van gegevens -> conclusies -> (toepassingen)
Organisatieniveau’s
- Organisme
- Orgaanstelsel
- Orgaan
- Weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie inclusief het
interstitium (tussenstof)
- Cel: verschillende functies, functie afhankelijk van: vorm, grootte,
structuren in de cel
- Celorganel: celkern (DNA) zitten chromatiden in (DNA alleen aflezen als het
is uitgerold), mitochondriën: ATP vorming (energie) ATP(3 fosfaat)(energie)
-> ADP (geen energie) in mitochondriën ADP + P -> AT,
endoplasmatisch reticulum(membranen), ruw-endoplasmatisch reticulum
(eiwitsynthese), golgi-complex (koolhydraatsynthese)
- Molecuul: water, eiwitten, lipiden, koolhydraten, stikstofhoudende basen
(Energierijke fosfaten (atp) / nucleinezuren (DNA en RNA))
Moleculaire stoffen
- Water: hydrofiel of hydrofoob
Hydrofiel (lipofoob): lost gemakkelijk in water op, positieve of negatief
geladen ionen, polaire stoffen
Hydrofoob (lipofiel): moeilijk oplosbaar in water, apolaire stof (vb. methaan
CH4)
- Eiwitten, functies: enzymen, bouwstoffen, receptor, transportfunctie,
aanhechtingsplaats cytoskelet
- Koolhydraten
Monosacharide: 1 ring
Disacharide: 2 ringen
Polysacharide: glycogeen
Ribose: in RNA
Desoxyribose: in DNA
- Lipiden/vetten: polair gedeelte (kop) en een apolair gedeelte (2 staarten)
- Celmembraan:
Difussie: passief transport (geen energie)
Actief membraantransport: kost energie, ATP is nodig exocytose(naar
buiten), endocytose(naar binnen/opnemen)
, BMD.CO3 ̶ Communicatie en sturing, deel 1:
Prikkelvorming en membraanpotentiaal
Communicatie in je lichaam is heel belangrijk in je lichaam
Cel wordt geprikkeld sensor sensorisch neuron overgedragen op
andere neurons hersenen hersenen bepalen reactie
Centraal zenuwstelsel: hersenen en ruggenmerg
Perifiere zenuwstelsel: uitlopers
Zenuwcel
- In het cellichaam worden de neurotransmitters gemaakt wat wordt
aangestuurd door de celkern
- Mitochondrien: energie, stofwisseling proces
- Synaps: bestaat uit eiwitten, geeft signalen door aan volgende
neuronen/spiervezel
Gliacellen
- Ondersteuning activiteit neuronen
- Vb astrocyt: Vormen een barierre waardoor niet alle stoffen naar de
hersenen kunnen gaan, heel veel stoffen worden tegengehouden
- Cel van schwann en oligodendrocyt: geleidingssnelheid van neuronen
verhogen isolerende functie zodat het signaal niet wegraakt
Neuronen
- Perifere sensorische neuronen: sensoren worden geprikkeld door de
zintuigen en dit wordt doorgegeven
- Schakelneuronen: zorgen dat ze richting het centraal zenuwstelsel gaan
en weer terug komen vanuit het centraal zenuwstelsel
- Perifere motorische neuronen: zorgen voor actie na de prikkel
Bouw neuron:
- Receptief: ontvangen
- Conductief: voortgeleiden
- Transmissief: overdragen (in motorische eindplaat, in synaps)
- Bij een perifeer sensorisch neuron zit het cellichaam met de celkern
ernaast, daardoor speelt het cellichaam hierbij geen rol bij de axon
Water kan niet goed door een vetachtig celmembraan en vetachtige
stoffen zouden wel makkelijk erdoor heen kunnen.
Vloeibaarmozaikmodel: doordat de eiwitten overal in het cytoplasma
zweven en kunnen veranderen van plaats wordt het een
vloeibaarmozaikmodel genoemd