2. Waterafvoer in het stroomgebied van de Rijn en de Maas
Stroomgebied – verzamelgebied van alle neerslag die na aftrek van de
verdamping door de hoofdloop van een riviersysteem wordt afgevoerd.
Stroomstelsel – stelsel van de hoofdrivier en zijn zijrivieren in een
stroomgebied.
Waterscheiding – de begrenzing van een stroomgebied en scheiding met
aangrenzende stroomgebieden. Ligt meestal op hoge delen in het landschap.
Bovenloop – bovenste gedeelte met het grootste hellingspercentage (verhang).
Erosie domineert.
Middenloop – middelste gedeelte waar de rivier door het gelijkmatige verhang
al wat rustiger stroomt.
Benedenloop – gedeelte dicht bij de uitmonding in zee met het kleinste
verhang. Er is invloed van eb en vloed en er wordt vooral klei afgezet.
De afvoer van water gaat in drie stappen:
1. Vasthouden in of op de bodem met zijn begroeiing
2. Bergen in oppervlakte water
3. Afvoer door de rivierbedding
Sponswerking – het vermogen van het landschap in een stroomgebied om net
als een spons water vast te houden en te bergen, en vertraagd af te geven aan
een rivier. De omvang van de sponswerking bepaalt in een stroomgebied de
vertragingstijd.
3. Klimaatverandering en veiligheid
De klimaatverandering op aarde door versterking van het broeikaseffect
heeft voor Nederland gevolgen voor de veiligheid.
Gemeenschappelijke kenmerken van het nieuwe klimaat:
1. Temperatuur: er is een temperatuursstijging. Zachte winters en warme
zomers zullen vaker voorkomen.
2. Neerslag: onregelmatiger neerslag regiem. Winters: natter, kans op
extreme hoeveelheden neemt ook toe. Zomer: aantal regendagen wordt
minder, maar heviger.
Debiet – hoeveelheid water per tijdseenheid wat op een bepaald moment
afgevoerd moet worden door de rivier.
De verdeling van de waterafvoer over het jaar (regiem) van revieren verschilt
en is afhankelijk van het soort voeding.
Piekafvoer – periode met grote afvoer door veel neerslag of smeltwater.
Factoren die kunnen zorgen voor hoogwater:
1. Periode met hevige en langdurige neerslag
, 2. Periode met grote toevoer van smeltwater
3. Geen water opslag in de bodem
Lengteprofiel rivieren – verticale doorsnede door een rivierloop in de lengte
richting (stroomrichting).
In de benedenloop van de Rijn en de Maas is de waterafvoer in het lengteprofiel
van beide rivieren extra moeilijk. De afvoer bij de monding in zee kan hier bij
vloed door opstuwing van rivierwater tot zeer hoge waterstanden leiden. Een
zeespiegelstijging maakt de afvoer nog moeilijker. De helling in de richting van
de afstroming (verhang) en het vrije verval zal in de benedenloop van de
rivieren afnemen.
Factoren voor de veiligheidsmaatregelen:
1. Kwetsbaarheid voor overstroming
Aantal inwoners
Economische waarde (bedrijven, gebouwen, infrastructuur)
2. Veiligheidsnorm – hoe vaak wordt een overstroming met schade
acceptabel gevonden
In het benedenrivierengebied is de veiligheidsnorm sterker; hier
wonen meer mensen, de polders liggen lager en de economische
aarde is groter.
3. Maatgevende afvoer – maximale hoeveelheid water die een rivier kan
afvoeren zonder dat het achterland overstroomt.
4. Meer veiligheid voor het rivierengebied
Actieplan hoogwater:
1. Vergroten van het bergingsvermogen (rentie) voor water bij de
Rijnwaterloop
2. Vergroten van het bergingsvermogen voor water in het Rijnstroomgebied
3. De aanleg van betere waarschuwingssystemen ten aanzien van hoogwater
Drietrapsstrategie – waterbeheer in drie stappen
1. Vasthouden (rentie) van water in/op de bodem
2. Bergen in het oppervlaktewater
3. Afvoeren naar de hoofdrivier
Hierdoor stroomt water vertraagd naar de rivierloop. Ook kan het verdroging
van gebieden door de ontwatering ten behoeve van de landbouw voorkomen.
Watertoets – verplichte toets bij ruimtelijke plannen van de overheid waarin
aandacht moet worden besteed aan veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit
en verdroging.
Dijkverzwaring – het verhogen en verbreden van dijken veiligheid in het
rivieren/kustgebied vergroten.
- kost weinig ruimte en het is relatief goedkoop