Organisatiekunde is een interdisciplinaire wetenschap, die zich bezig houdt met het
bestuderen van de volgende dingen:
- Het gedrag van organisaties
- De factoren die dit gedrag bepalen
- De wijze waarop organisaties op de meest doeltreffende manier bestuurd worden.
De definitie van organisatiekunde omvat twee aspecten:
- Descriptief aspect: een beschrijving van het gedrag van organisaties met de
motieven en gevolgen.
- Een prescriptief aspect: een advies over de te volgen handelwijze en organisatie-
inrichtingen.
Het vak organisatiekunde wordt voor het eerst gedoceerd in de VS na 1850. Tussen 1960
en 1970 is de organisatiekunde zoals we die nu kennen in Nederland ontstaan. De
achterliggende drijfveer was het complexer en groter worden van organisaties.
De behandelde denkrichtingen en persoonlijkheden hebben allemaal invloed gehad op de
ontwikkeling van het vakgebied organisatiekunde.
Periode voor de industriële revolutie 400 jaar voor Chr. Tot 1900 jaar na Chr.:
Niccolo Machiavelli 1469-1527: schreef een boek over de richtlijnen die vorsten maar ook
leiders van nut kunnen zijn. Ze zijn vooral gebaseerd op het behoud van macht en de
uitbreiding ervan. Tot in de tweede helft van de 18e eeuw overheerst het Mercantilisme
als economische denkrichting. Deze stroming stelde dat het bezit aan geld en goud de
enige welvaartsbron was.
Adam Smith 1723-1790: Hij schreef dat productieve arbeid de bron is van welvaart en
dat door arbeidsverdeling de productiviteit van de arbeid kan worden verhoogd. Toen
verdween het Mercantilisme en er kwam meer aandacht voor efficiency.
1920 Scientific management:
Het paternalisme leverde niets op. Frederick Taylor vond dat het beter kon. Op een meer
wetenschappelijke wijze naar het werk kijken. Het moet productiever worden. We moeten
de werkzaamheden in een staat gaan verdelen en taakverdeling toepassen. Dat moet in
een hechte vriendschappelijke sfeer gebeuren. Bedrijfsleiders bepalen hoe het er aan de
werkvloer aan toe gaat. Hij was de juiste man op de juiste plek. Hij bedacht ook
prestatiebeloningen. De mens is een rationeel wezen (homo economicus). Werknemers
zijn gericht op zo’n hoog mogelijk loon, ze gaven niets om de organisatie. Hier
ontstonden de sociaal werkers. Er kwamen een aantal regels en wetten. Er was geen
aandacht voor de mens.
De hoofdpunten uit zijn ontwikkelde theorie zijn:
- Een wetenschappelijke analyse van de werkzaamheden en het uitvoeren van
bewegingstudies.
- Een goede taakverdeling en trainingen van de arbeiders. Waarbij elke handeling
en beweging is voorgeschreven. Hierdoor krijgt de arbeider een hogere routine
waardoor weer hogere productienormen gehaald worden.
- Een vriendschappelijke samenwerking tussen leidinggevende en arbeiders.
, - De bedrijfsleiders zijn verantwoordelijk voor het analyseren en zoeken naar
werkmethoden en het scheppen van productievoorwaarden.
- De juiste man op de juiste plaats door goede selectie.
- Het invoeren van prestatiebeloningen met als doel tot lagere productiekosten
komen.
Het achtbazenstelsel:
1. Tijd en kosten
2. Werkinstructies
3. Bewerkingen en hun volgorde
4. Werkvoorbereiding en uitgifte
5. Onderhoud
6. Kwaliteitscontrole
7. Technische leiding
8. Personeelsbeheer
Henry Fayol en de General management theorie +/- 1900:
Hij bedacht een theorie van het algemene management dus de gehele organisatie
betreffend. In tegendeel tot Taylor die zijn systeem opbouwde vanuit en voor de
productieafdeling. De theorie van Fayol is ook bedoeld voor andere organisaties.
Hij onderscheidde 6 belangrijke managementgebieden:
- Technisch
- Commercieel
- Financieel
- Zelfbeschermend (veiligheid)
- Boekhouding
- Besturing
De besturing is het belangrijkste onderdeel van de functie van managers en bestaat uit 5
taken:
- Plannen of vooruitzien: het opstellen van een actieplan voor de toekomst
- Organiseren: de opbouw van de organisatie met mensen en middelen
- Bevel voeren: Ervoor zorgen dat mensen aan het werk blijven
- Coördineren: Het onderling afstemmen van activiteiten
- Controleren: erop toezien dat de resultaten in overeenstemmen met het plan zijn
Max Weber en de theorie van bureaucratie +/- 1940:
Hij hield zich bezig met overheidsorganisaties en grote bedrijven vanuit een socialistische
invalshoek. Grote organisaties hadden volgens Weber in die tijd de volgende kenmerken:
- Een sterk doorgevoerde taakverdeling
- Hiërarchische bevelstructuur
- Nauwkeurige verantwoordelijkheden
- Onpersoonlijke relaties tussen functionarissen
- Werving op basis van bekwaamheden en kennis in plaats van vriendjes politiek
- Bevordering op beloning op basis van procedures
- Alle gegevens zijn vastgelegd in schriftelijke stukken
- De macht van functionarissen is aan restricties gebonden
Hier is sprake van ideale bureaucratie. Een organisatievorm die volgens hem het meest
doelmatig is.
1945 Human relations:
Elton mayo stelde zich de vraag hoe je arbeidsproductiviteit kunnen verbeteren door de
arbeidsomstandigheden te veranderen. Zodra de mensen aandacht kregen gingen de
mensen harder werken. Mensen dus ook een sociaal wezen, je moet ze met elkaar in
contact brengen. Er kwam veel meer aandacht voor personeelsmanagement. Er kwamen
grote personeelsafdelingen (afdeling werving en selectie etc.). Er werd nagedacht over
personeelsbeleid. De personeelsafdelingen ontwikkelde zich los van de andere