De Grieken leefden in kleine staten in Griekenland, langs de kusten
van de
Middellandse zee en de Zwarte zee.
Onafhankelijke staten
Griekenland bestaat vooral uit bergen en heuvels. Daartussen liggen
vruchtbare
valleien die uitlopen in zee. Toen de landbouwstedelijke
samenlevingen in dit gebied
zich ontwikkelden tot landbouwstedelijke samenleving ontstond er
niet 1 grote
staat, zoals in Egypte. In Griekenland ontstonden door het niet
aaneengesloten
landschap meer dan 150 volledig zelfstandige gemeenschappen. De
Grieken
noemden zo’n gemeenschap een polis (mv. poleis). In het
Nederlands spreken we
van een stadstaat. Deze bestond uit een stad met gebieden
eromheen. Iedere
stadstaat had een eigen regering en een eigen leger. Grote
stadsteden waren o.a.
Athene en Sparta. De steden waren vaak ontstaan rond een goed
verdedigbaar,
hoog punt in een landschap, de akropolis. Daarop lag een burucht
waar de
inwoners van een stadstaat naartoe vluchtten bij gevaar. Later
werden er tempels
opgebouwd.
Landbouw en kolonisatie
De olijfoom was heel belangrijk voor de Grieken, vanwege de
vruchten, olie en het
hout.
In de Griekse landbouwstedelijke samenleving verbouwden de
boeren naast olijven
ook groenten en fruit en waar mogelijk ook graan. Slechts 20% van
het land was
toen geschikt voor de landbouw. Toen de bevolking in de 8e eeuw
enorm groeide
ontstond er een tekort aan landbouwgrond. Het lukte de boeren niet
de
opbrengsten van hun land te vergroten. Emigratie was daarom de
enige
oplossing.