Ambachtslieden werken samen.
Wanneer de bakker niet precies volgens de regels van de gilde zijn brood had
gebakken, werd hij
met een brood om zijn nek op een kar door de stad gereden. Zijn broden
waren afgekeurd
door de keurmeesters van het gilde. Een brood die niet het juiste gewicht had
of niet de
juiste prijs, was een schande voor het hele bakkergilde.
Het gilde regelt alles
Net als de bakkers, had elke ambacht een gilde. Je moest daar lid van zijn om
een ambacht te
oefenen in de stad. Alleen mannen konden lid worden. vrouwen mochten hun
man helpen
bij zijn werk. Het gilde zorgde ook voor de beroepsopleiding. Een stadsjongen
kon een
ambacht leren van een lid van het gilde. Zodra een leerling de
basisvaardigheden ban het
ambacht beheerste, werd hij gezel. Daarna kon hij meester worden door het
afleggen van de
meesterproef.
Geld
In de 14e eeuw vonden de mensen in de stad geld het aller belangrijkste. Veel
steden mochten
van hun vorst eigen munten slaan. Hierdoor kwamen er heel veel
verschillende munten.
Als een koopman in een stad kwam, ging hij naar een geldwisselaar om zijn
munten te ruilen voor
het geld dat ze in die stad gebruikten. De wisselaar keek goed of er geen
valse munten tussen
zaten. Hij luisterde of ze goed klonken en legden ze op een weegschaal. Dat
was nodig omdat
mensen met een mes een dun randje van munten afsneden. Aan het gewicht
zag de
geldwisselaar hoeveel metaal de munt bevatte. Zo wist de wisselaar hoeveel
de munten
waard waren. Hij berekende hoeveel plaatselijke munten de handelaar in ruil
kreeg, en wat
hij zelf als beloning overhield.