Synchroon tellen; tellen van voorwerpen en dan steeds één voorwerp aanwijzen en daarbij
tegelijkertijd één telwoord moeten noemen. Niks dubbel tellen of overslaan. Voorwerpen worden
hierbij geordend
Resultatief tellen; hierbij moet je kunnen synchroon tellen, want dan kun je vaststellen hoeveel
voorwerpen er zijn. Het tellen van voorwerpen en weten hoeveel het er zijn. Het besef hebben dat
het laatste getal bij tellen van een aantal voorwerpen de hoeveelheid aanduidt. Zowel geordende als
ongeordende hoeveelheden tellen.
Representaties van getallen; vingers, stippen op dobbelsteen, het cijfer zelf, fiches of groepje van
poppen/knuffels etc.
Een getal is een abstractie
Ordinale functie; het gaat om de volgorde
Kardinale functie; het gaat niet om volgorde maar om resultaat. (het laatste telwoord geeft de
hoeveelheid aan.)
Vragen stellen aan kinderen om zich bewust te laten worden van iets. Bijvoorbeeld kind tellen maar
beseft niet hoeveel het resultaat is, blijf vragen maar hoeveel potloden moet je dan pakken?
Functies van getallen
- Hoeveelheidsgetal; kardinale functie, het gaat om de hoeveelheid.
- Telgetal; volgorde of ordinale functie bv bladzijde 5 en huisnummer 37
- Meetgetal; getal met een maat erachter: 7 meter
- Naamgetal; getal dat naam aangeeft: bus 15
- Rekengetal; abstract getal om mee te rekenen: 5+3=8
Natuurlijke getallen; getallen van de telrij 1,2,3
Gehele getallen; natuurlijke getallen + gehele negatieve getallen
Leren tellen door middel van: (van makkelijk naar moeilijk)
- Akoestisch tellen; tellen met een liedje/ met een ritme/ rijmpje etc. Ritmisch de getallen
opzeggen van de telrij, zonder besef van wat de telwoorden betekenen.
- Synchroon tellen; telrij opzeggen of zingen, betekent dat nog niet zij een hoeveelheid
kunnen tellen. Onderdeel van synchroon tellen: Object gebonden tellen; het tellen
van een aantal voorwerpen zonder dat het kind duidelijk is waarom geteld moet worden.
- Resultatief tellen; de totaal hoeveelheid weten, na synchroon tellen weten hoeveel
‘kinderen er in de klas zitten’. Het resultaat weten.
- Getalbeelden; meteen het getal herkennen in stippen/ vingers / etc. Herkenbare structuur
getallen (dobbelsteen) het goede aantal herkennen. Mentale voorstelling van een getal
- Verkort tellen; met sprongen tellen, met groepjes van 2/3 etc. Of vanaf 4 verder tellen.
Het is moeilijker om niet geordende voorwerpen te tellen en bewegende voorwerpen en (deels)
niet zichtbare voorwerpen.
Les vragen