Totale inspectie
1. Kwalitatieve aspecten/algemene indruk;
2. Typologie;
Pycnisch: kort en gezet
Atletisch: slank en gespierd
Leptosoom: smalle lichaamsbouw
3. Spontane sensomotorische activiteiten;
4. Houding/contouren (luchtfiguren, loodlijn);
5. Symmetrie van lichaamsvormen en benige structuren;
6. Huid (littekens, blauwe plekken, kleur, ontstekingen).
Dorsaal:
- Luchtfiguur nek/hoofd;
- Schouderstand (hoogte);
- Afwijkingen scapula;
- Scoliose;
- Luchtfiguren van de armen;
- Bekkenstand (crista iliaca en SIPI);
- Kniestand (hoogte en naar binnen/buiten gedraaid);
- Luchtfiguren van de kuit;
- Enkelstand.
Sagittaal (beide kanten vergelijken):
- Loodlijn;
- Stand nek/hoofd;
- Schouderstand (naar voren/achteren);
- Holle/bolle rug;
- Bekken stand (naar voren/achteren gekanteld);
- Kniestand (overstrekt)
- Enkelstand;
- Stand voeten.
Frontaal:
- Luchtfiguren schouders;
- Sleutelbeen contrast;
- Schouderstand (hoogte);
- Luchtfiguren van de armen;
- Bekkenstand (crista iliaca en SIAS);
- Kniestand (hoogte en naar binnen/buiten gedraaid);
- Luchtfiguren van de kuit;
- Enkelstand;
- Platvoeten.
AROM met goniometer
, De as van de goniometer zet je bij het gewricht zelf. De ene arm zet je in het verlengde van
de nulstand en de andere arm beweeg je mee met het bewegende lichaamsdeel.
Gewricht Beweging Norm Hoe
(graden)
Art. geno humerie Anteflexie 170-180 Ruglig.
(schoudergewricht) Retroflexie 50-60 Ruglig, aan de zijkant van de bank.
Patiënt laat arm langs de bank hangen.
Abductie 170-180
Adductie 50-75
Exorotatie 80-90 Ruglig met elleboog in 90 graden en
schouder in abductie. Onderarm naar
achteren laten vallen.
Endorotatie 60-100 Ruglig met elleboog in 90 graden en
schouder in abductie. Onderarm naar
voren laten vallen.
Art. cubiti Flexie 140-150 Ruglig.
(ellebooggewricht) Extensie 0-10 Houdt de arm van de patiënt vast en
laat de elleboog overstrekken.
Supinatie 90 Patiënt heeft pen vast in een vuist, pen
is naar boven gericht. Patiënt maakt
volledige supinatie en je beweegt de
goniometer met de pen mee.
Pronatie 80-90 Patiënt heeft pen vast in een vuist, pen
is naar boven gericht. Patiënt maakt
volledige pronatie en je beweegt de
goniometer met de pen mee.
Art. coxae Anteflexie 110-120 Ruglig. Patiënt brengt de knie naar de
(heupgewricht) borst zonder de handen te gebruiken.
Retroflexie 10-15 Ruglig, aan de zijkant van de bank.
Patiënt trekt de andere knie naar de
borst om compensatie van de rug te
voorkomen. Patiënt laat been langs de
bank hangen.
Abductie 30-50 Ruglig. Laat patiënt abductie maken
totdat je de SIAS weg voelt gaan.
Adductie 30 Ruglig, met de andere voet over de
knie heen. Patiënt maakt adductie
totdat je de SIAS weg voelt gaan.
Exorotatie 40-60 Ruglig, met heup en knie in 90 graden.
Houdt de goniometer bij de knie en
patiënt draait onderbeen naar binnen.
Endorotatie 30-40 Ruglig, met heup en knie in 90 graden.
Houdt de goniometer bij de knie en
patiënt draait onderbeen naar buiten.
Art. genus Flexie 135 Ruglig. Patiënt brengt hak naar bil toe.
(kniegewricht) Extensie 0-15 Ruglig, met benen plat. Patiënt probeert
de voet van de bank af te krijgen
(overstrekking).
Exorotatie 20-30
Endorotatie 30-40
Spierkracht met MRC schaal