Je kan geen reserve-eiwitten opslaan
13.1 De geschiedenis van het eiwitonderzoek
Proteïnen = eiwitten
Opgebouwd uit aminozuren
13.2. De functies van eiwitten
Opsomming van enkele belangrijke functies, onmisbaar op elk organisatieniveau
Functies van eiwitten op celniveau
Opbouw van cellen: bijv. ribosomen bestaan uit eiwitten
Transport van stoffen via celmembraan: membraaneiwitten
Opvangen van signalen door de cel: receptoreiwitten
o Neurotransmitter bindt aan receptor → iets verandert in cel
Functies op orgaanniveau
Opbouw van weefsels en organen: eiwitten vormen intercellulair (tussenstof)
altijd een bestanddeel van weefsels die een orgaan vormen
Bij dieren: als cocon of uitwendig skelet
Belangrijke functies op systeemniveau
Zenuwstelsel: neurotransmitters en neuroreceptoren
Spierwerking: in elkaar schuiven van actine- en myosinemoleculen
Stoffentransport: hemoglobine
Afweer: antistoffen
Enzymwerking: katalyseren van chemische reacties in een cel en daarbuiten
Hormonale werking: hormonen
Bloedstolling: plasmaeiwitten
13.3. Aminozuren
Er zijn maar 20 verschillende aminozuren
Ene zijketen -COOH en de andere NH2
Peptidebinding = binding van aminozuren
aan elkaar
13.4. De ruimtelijke vorm van eiwitten
4 niveaus van eiwitten
13.4.1. Primaire structuur
Primaire structuur = bepaald door aminozuurvolgorde in een keten
o Vastgelegd in genetische informatie in chromosomen
Sikkelcelanemie: primaire structuur hemoglobine verkeerd
o Bloedcellen vervormd: minder goed zuurstof opnemen
, 13.4.2. Secundaire structuur
Secundaire structuur = ineengestrengelde vorm met waterstofbruggen
o 2 typen: alfahelix en betaplaat
13.4.3. Tertiaire structuur
Tertiaire structuur = ruimtelijke vorm gevormd door waterstofbruggen en
zwavelbruggen
o Eiwitten nog meer opgevouwen en gekronkeld
o Hydrofiele groepen aan de buitenkant
o Hydrofobe groepen in eiwitkluwen
13.4.4. Quaternaire structuur
Macromolecuul = eiwitten bestaande uit twee of meer polypeptideketens
o Quartenaire sturctuur van eiwit
13.4.5. Insuline
Insuline: C254H377N650O75S6
Eerste eiwit waarvan de volgorde ontdekt werd
13.5. Eiwitsynthese: transcriptie en translatie
1. DNA bevat erfelijke codes in de vorm van 3tallen nucleotiden: tripletten
o Triplet vormt de code (codon) voor 1 aminozuur
o Startcodon en stopcodon
2. Gen voor eiwit bestaat uit een reeks tripletten met aan het begin een
startcodon en aan het eind een stopcodon
3. Eiwit gevormd → gen gekopieerd als mRNA = transcriptie
4. mRNA wordt in kern gevormd en brengt info buiten kern
5. Op ribosomen in cytoplasma wordt de code afgelezen en het eiwit gevormd
= translatie
6. Ribosoom krijgt losse aminozuren aangevoerd door tRNA
o Ene kant draagt code, andere kant kan het bijbehorende aminozuur
binden
Puffs = actieve gedeelten van het chromosoom bij het aflezen
13.6. Genregulatie
Genregulatie is een ingewikkeld terugkoppelingssysteem
o Negatieve terugkoppeling
Enzymvorming onder controle door regulatorgenen
o Codeert voor repressor: eiwit dat aan een operator hecht
Operator = stukje DNA dat zich bevindt tussen promotor en structuurgen
o Structuurgen = stuk DNA dat de code bevat voor het desbetreffende
enzym