Duodenum: twaalfvingerige darm.
Appendix: wormvormig aanhangsel.
Mond en keelholte
Tonsillectomie: verwijderen van de tonsillen (amandelen)
Met de tong kun je vier smaken proeven: zoet, zuur, zout en bitter.
Lymfklieren werken ook mee aan de afweer.
Slokdarm
Latijnse naam: oesofagus.
Slokdarm gaat door het middenrif heen en eindigt in de maag.
Maag
Verschillende delen van de maag, hebben een verschillende functie.
Overgang van de maag naar de twaalfvingerige darm door middel van een
maagportier (pilorus). Zorgt er voor dat het voedsel niet terug kan lopen naar de
maag.
Te veel zuur in de maag kan leiden tot zweren, bloedingen, beschadigingen.
De maag heeft drie lagen spierweefsel die zorgt dat het voedsel goed gemengd
wordt.
In het maagsap zitten enzymen die eiwitten kunnen afbreken. Ook zorgt het zuur
voor afbraak van bacteriën.
Pancreas en duodenum
De pancreas (alvleesklier) is niet goed te zien omdat er vetweefsel voor zit.
Bestaat uit een kop en een staart.
De alvleesklier heeft verschillende afvoerbuizen die uitmonden in de
twaalfvingerige darm.
Papil van vater: uitmonding van de buis van de alvleesklier en galblaas.
De alvleesklier produceert spijsverteringssappen.
Lever en galwegen
De lever bestaat uit twee gedeelten.
De lever produceert gal en wordt opgeslagen in de galblaas. En die zorgt er voor
dat het gal wordt opgeslagen en ingedikt. Als er voedsel in de twaalfvingerige
darm komt, wordt er een hormoon afgegeven naar de galblaas waardoor hij gaat
samentrekken en de gal vrijkomt.
De concentratie in de galblaas kan zo hoog worden dat er galstenen kunnen
ontstaan. Zolang ze hierin blijven zitten, heb je er niet veel last van.
poortader: krijgt bloed uit de wand van de dikke en dunne darm door middel van
haarvaatjes en komt via de poortader de lever binnen.
Dunne darm:
Het slijmvlies is sterk geplooid. Door de uitstulpingen en plooien is het
oppervlakte sterk vergroot.
Dunne darm bevat glad spierweefsel dat zorgt voor peristaltiek.
, De darmen zijn door middel van een vlies met bloedvaten verbonden met het
buikvlies.
Dikke darm
De dikke darm neemt water en zout op.
Het slijmvlies heeft geen uitstulpingen en daardoor een kleiner oppervlakte dan
de dunne darm.
Ziektebeelden
Oesofagusatresie
= Afsluiting van de slokdarm. Er ontbreekt een deel van de slokdarm
(aanlegstoornis).
Eidemiologie:
Oesofagusatresie is de meest voorkomende aangeboren aandoening van de
slokdarm: in Nederland worden er jaarlijks ongeveer 50 baby’s geboren.
Normale embryologie:
De slokdarm en de luchtpijp zijn ontstaan uit 1 buis.
Ontstaat in ongeveer de 6e week van de zwangerschap
Bijkomende aandoeningen:
Bij 50% van de kinderen zijn er tevens andere afwijkingen:
Cardiovasculair 29%
Anorectaal 14%
Urogenitaal 14%
Gastro-intestinaal 13%
Vertebraal 10%
Respiratoir 6%
Genetisch 4%
Anders 11%
Oorzaken:
Precieze oorzaak onbekend
genetische factoren spelen weliswaar een rol, maar er is een lage
concordantie bij eeneiige tweelingen.
Mogelijke inwerking van een schadelijk agens o het moment dat de
luchtwegen zich ontwikkelen.
Symptomen:
Schuim en bellen rondom de mond en de neus
Kwijlen
Perioden van hoesten, cyanose en benauwdheid. Dit neemt toe tijdens de
voeding.
Kans op aspiratie tijdens de voeding.
Diagnostiek:
Polyhydramnion: hoeveelheid vruchtwater neemt toe.
Bij oesofagusatresie is het niet mogelijk om een sonde op te voeren tot in
de maag. Op de röntgenfoto is de opgekrulde sonde te zien.