Oogheelkunde
1. Congenitale ptosis
Berust meestal op vettige dystrofie van de m. levator, ±80% eenzijdig, vaak familiair. Bij kinderen <7 jaar
dreigt amblyopie. Behandeling: tarsus met subcutane strip aan m. frontalis verbonden.
2. Morbus Graves
Auto-immuunstoornis die zich kan uiten in schildklier (diffuus struma en hyperthyreoïdie), oogkas (Graves’
orbitopathie) en benen (pretibiale dermatopatie). Graves’ orbitopathie: meest voorkomende aandoening
oogkas, kan zowel dubbel- als enkelzijdig, 4x vaker vrouwen, zwelling oogspieren en/of toename orbitale
vet. Hierbij branderige ogen, lichtschuwheid, tranen, moeite met kijken (mn ‘s ochtends), dubbelbeelden,
pijnlijke oogbewegingen, schrikogen, bolle ogen, wallen door ooglidretractie, ooglidzwelling, proptosis,
gestoorde motiliteit en druk op oogzenuw. Diagnose: antistoffen, CT. Behandeling: gaat vanzelf over,
ziekteduur verkorten, restafwijkingen verminderen (orbitadecompressie, ooglidverlenging, kunsttranen).
Schildklier behandelen.
3. Cataract
>65 jaar. Troebelingen ooglens die leiden tot lichtverstrooiing, geleidelijke visusdaling, uiteindelijk blindheid.
Oorzaken: leeftijd (lensstofwisseling), DM, galactosemie, veel zonlicht, ondervoeding, diarree. 3 bekendste
vormen: spakencataract, kerncataract, cataract achterste schors. Cataracta congenita (infectieziekten),
cataracta complicata (chronische iridocyclitis, langdurig prednisongebruik). Klachten: gezichtsscherpte
minder bij lichtinval, kleuren flets, monoculair dubbelzien bij troebele spaak door pupilopening, bijziend.
Verbetering visis bij stenopeische opening. Beh: bij klachten lensvervanging.
4. Presbyopie/ hypermetropie
Presbyopie: het meest nabijgelegen punt wat we scherp kunnen waarnemen (punctum maximum) komt
steeds verder van ons af te liggen. Het hypermetrope oog (dichtbij zien gestoord, je hebt een +bril nodig) is
eerder aan een leesbril toe dan het emmetrope oog, het emmetrope oog weer eerder dan het myope oog.
5. Abducensparese
N VI motorisch, innerveert m. rectus lateralis. Bij parese kan abductie alleen nog gedaan worden door de m.
obliquus superior en inferior.
6. Retinoblastoom
Meest voorkomende primaire maligne intraoculaire tumor bij kinderen, gaat uit van netvliescellen. Bij erfelijke
vorm stamcelmutatie. 1:17.000 nieuwgeborenen. 5-jaarsoverleving Westerse wereld >90%, bij metastasen
±20%. Presentatie unilateraal meestal <6 jaar, bilateraal meestal <1 jaar. Symptomen: witte of verkleurde
pupil, strabisme, rood pijnlijk oog, uveitis anterior. Diagnostiek: fundoscopie met ultrasonografie en MRI.
Contrleren op metastasen. Behandeling, primair behoud van leven, dan gezichtsvermogen, dan oog;
enucleatie, uitwendige radiotherapie, cryoagulatie, radioactief schildje, lasertherapie, thermochemotherapie,
chemoreductie. Broertjes en zusjes worden gecontroleerd bij sporadisch tot 4 jaar na diagnose.
7. Maculadegeneratie
Centrale gezichtsscherpte en kleurenzien aangetast. Ontstaan: vroeg bij al of niet erfelijke dystrofie, DM of
andere vaatafwijkingen, trauma, intoxicatie, lichtschade, hoge bijziendheid, oudere leeftijd. In Westerse
wereld belangrijkste oorzaak slechtziendheid ouderen (Leeftijdsgebonden Macula Degeneratie). Risico: >55
jaar, roken, genetische predispositie. Droge LMD: multipele puntvormige opeenhopingen vetten en cellulaire
afvalstoffen in maculastreek en verschuivinge in retinale pigmentepitheel. Natte LMD: nieuwgevormde
bloedvaten in maculastreek waardoor lekkage. Klachten: vlek in midden gezichtsveld, droge: zeer geleidelijk
+ langdurige nabeelden, natte: in dagen tot weken + vervorming beeld. Behandeling: droge: geen, natte:
laserbehandeling neovascularisaties. Nooit blind doordat perifere retina intact blijft.
8. Corneaerosie
Klachten: tranen, fotofobie, blefarospasme en corpus-alienumgevoel. Diagnose: directe inspectie en kleuring
met fluoresceïne. Behandeling: occlusie met een zalfverband om de reëpithelialisatie te bevorderen.
9. Innervatie spieren oog/ -leden
N II (opticus) sensorisch geeft lichtprikkels door naar de hersenen
N III (oculomotorius): motorisch m. rectus superior, m. rectus inferior, m. recus
medialis, m. obliquus inferior, m. levator palpebrae
superioris
N IV (trochlearis) motorisch m. obliquus superior
N V (trigeminus) sensorisch huid ogleden, conjunctiva, cornea
N VI (abducens) motorisch m. rectus lateralis
1. Congenitale ptosis
Berust meestal op vettige dystrofie van de m. levator, ±80% eenzijdig, vaak familiair. Bij kinderen <7 jaar
dreigt amblyopie. Behandeling: tarsus met subcutane strip aan m. frontalis verbonden.
2. Morbus Graves
Auto-immuunstoornis die zich kan uiten in schildklier (diffuus struma en hyperthyreoïdie), oogkas (Graves’
orbitopathie) en benen (pretibiale dermatopatie). Graves’ orbitopathie: meest voorkomende aandoening
oogkas, kan zowel dubbel- als enkelzijdig, 4x vaker vrouwen, zwelling oogspieren en/of toename orbitale
vet. Hierbij branderige ogen, lichtschuwheid, tranen, moeite met kijken (mn ‘s ochtends), dubbelbeelden,
pijnlijke oogbewegingen, schrikogen, bolle ogen, wallen door ooglidretractie, ooglidzwelling, proptosis,
gestoorde motiliteit en druk op oogzenuw. Diagnose: antistoffen, CT. Behandeling: gaat vanzelf over,
ziekteduur verkorten, restafwijkingen verminderen (orbitadecompressie, ooglidverlenging, kunsttranen).
Schildklier behandelen.
3. Cataract
>65 jaar. Troebelingen ooglens die leiden tot lichtverstrooiing, geleidelijke visusdaling, uiteindelijk blindheid.
Oorzaken: leeftijd (lensstofwisseling), DM, galactosemie, veel zonlicht, ondervoeding, diarree. 3 bekendste
vormen: spakencataract, kerncataract, cataract achterste schors. Cataracta congenita (infectieziekten),
cataracta complicata (chronische iridocyclitis, langdurig prednisongebruik). Klachten: gezichtsscherpte
minder bij lichtinval, kleuren flets, monoculair dubbelzien bij troebele spaak door pupilopening, bijziend.
Verbetering visis bij stenopeische opening. Beh: bij klachten lensvervanging.
4. Presbyopie/ hypermetropie
Presbyopie: het meest nabijgelegen punt wat we scherp kunnen waarnemen (punctum maximum) komt
steeds verder van ons af te liggen. Het hypermetrope oog (dichtbij zien gestoord, je hebt een +bril nodig) is
eerder aan een leesbril toe dan het emmetrope oog, het emmetrope oog weer eerder dan het myope oog.
5. Abducensparese
N VI motorisch, innerveert m. rectus lateralis. Bij parese kan abductie alleen nog gedaan worden door de m.
obliquus superior en inferior.
6. Retinoblastoom
Meest voorkomende primaire maligne intraoculaire tumor bij kinderen, gaat uit van netvliescellen. Bij erfelijke
vorm stamcelmutatie. 1:17.000 nieuwgeborenen. 5-jaarsoverleving Westerse wereld >90%, bij metastasen
±20%. Presentatie unilateraal meestal <6 jaar, bilateraal meestal <1 jaar. Symptomen: witte of verkleurde
pupil, strabisme, rood pijnlijk oog, uveitis anterior. Diagnostiek: fundoscopie met ultrasonografie en MRI.
Contrleren op metastasen. Behandeling, primair behoud van leven, dan gezichtsvermogen, dan oog;
enucleatie, uitwendige radiotherapie, cryoagulatie, radioactief schildje, lasertherapie, thermochemotherapie,
chemoreductie. Broertjes en zusjes worden gecontroleerd bij sporadisch tot 4 jaar na diagnose.
7. Maculadegeneratie
Centrale gezichtsscherpte en kleurenzien aangetast. Ontstaan: vroeg bij al of niet erfelijke dystrofie, DM of
andere vaatafwijkingen, trauma, intoxicatie, lichtschade, hoge bijziendheid, oudere leeftijd. In Westerse
wereld belangrijkste oorzaak slechtziendheid ouderen (Leeftijdsgebonden Macula Degeneratie). Risico: >55
jaar, roken, genetische predispositie. Droge LMD: multipele puntvormige opeenhopingen vetten en cellulaire
afvalstoffen in maculastreek en verschuivinge in retinale pigmentepitheel. Natte LMD: nieuwgevormde
bloedvaten in maculastreek waardoor lekkage. Klachten: vlek in midden gezichtsveld, droge: zeer geleidelijk
+ langdurige nabeelden, natte: in dagen tot weken + vervorming beeld. Behandeling: droge: geen, natte:
laserbehandeling neovascularisaties. Nooit blind doordat perifere retina intact blijft.
8. Corneaerosie
Klachten: tranen, fotofobie, blefarospasme en corpus-alienumgevoel. Diagnose: directe inspectie en kleuring
met fluoresceïne. Behandeling: occlusie met een zalfverband om de reëpithelialisatie te bevorderen.
9. Innervatie spieren oog/ -leden
N II (opticus) sensorisch geeft lichtprikkels door naar de hersenen
N III (oculomotorius): motorisch m. rectus superior, m. rectus inferior, m. recus
medialis, m. obliquus inferior, m. levator palpebrae
superioris
N IV (trochlearis) motorisch m. obliquus superior
N V (trigeminus) sensorisch huid ogleden, conjunctiva, cornea
N VI (abducens) motorisch m. rectus lateralis