Biopsychologie Antwoordvel
Hoofdstuk 1 The Major Issues
Vraag 1: De definitie luidt (vertaald) als volgt: “biopsychologie is de studie van de
fysiologische, evolutionaire en ontwikkelingsmechanismen van gedrag en ervaring.”
Vraag 2: Het gaat hier om de volgende 3 standpunten. De eerste is het dualisme.
Deze visie gaat er van uit dat lichaam en geest verschillend zijn en onafhankelijk van
elkaar bestaan (zie ook René Descartes).
De tweede is het monisme. Deze visie gaat er van uit dat het universum uit alleen
maar één substantie bestaat. Mentale activiteit en breinactiviteit gaan hand in hand.
Het een kan niet zonder het ander. Monisme valt in de volgende categorieën;
materialisme, mentalisme en identiteit positie.
De derde is het solipsisme. Deze visie gaat er van uit dat alleen ik besta en alleen
ik bewust ben. Anderen zijn slechts personages net zoals in een droom.
Vraag 3: Het gaat hier om de volgende 4 categorieën. De eerste is fysiologisch.
Hier gaat het om de activiteit van het brein en andere organen. De tweede is een
ontogenetische verklaring. Deze beschrijft hoe gedrag zich ontwikkelt door de
invloed van genen, voeding, ervaringen en de interactie hier tussen. De derde is
evolutionair. Hierbij wordt gedrag gereconstrueert aan de hand van z’n
evolutionaire geschiedenis. De vierde is functioneel en beschrijft waarom bepaald
gedrag zich heeft ontwikkelt.
Vraag 4: David Chalmers bedoelde het volgende. The easy problems bestaan uit
vragen als het verschil tussen waakzaamheid en slapen en/of mechanismen die het
mogelijk maken om onze aandacht ergens op te richten. The hard problems bestaan
uit vragen als waarom en hoe enige breinactiviteit is gerelateerd aan bewustzijn.
Vraag 5: Mendalian genetics (van Gregor Mendel) bestaat uit de volgende
onderdelen. Erfelijkheid wordt mogelijk gemaakt door genen die stukjes informatie
bevatten van de vorige generaties. Genen komen in paren omdat zij langs
chromosomen liggen, die ook in paren komen. Chromosomen bestaan uit DNA en
DNA bestaat weer uit genen die de genetische code bevatten. DNA vormt een model
voor de synthese van RNA. DNA is een dubbele streng molecuul en RNA is een
enkele streng molecuul. Een RNA-molecuul vormt vervolgens een model voor de
synthese van proteïne moleculen. Sommigen zijn onderdeel van de structuur van het
lichaam en andere functioneren als enzymen.
Een identiek paar van genen op twee chromosomen is homozygoot voor dat gen.
Een niet-identiek paar is heterozygoot voor dat gen. Een dominant gen heeft een
, sterk effect bij zowel de homozygote als heterozygote situatie. Een recessief gen
laat alleen effect zien bij een homozygote situatie.
Vraag 6: Genen hebben invloed op gedrag doordat zij bijvoorbeeld een proteïne
produceren die de ogen bruin maken. Een gen voor bijvoorbeeld alcoholisme zal niet
direct alcholisme veroorzaken, maar zal met bepaalde omstandigheden de kans
verhogen. Hoe jij wordt behandeld (omgeving) zorgt ook voor andere werkingen van
een bepaald gen en zodoende voor een indirecte werking op het gedrag.
Omgevingsfactoren bestaan uit het binden van een methylgroep (CH3) op een gen
die deze vervolgens inactiveert. Daarnaast hebben factoren als ondervoeding of
hevige stress veel invloed op het inactiveren van een gen.
Phenylketonuria kan bijvoorbeeld verholpen worden door het aanpassen van de
omgeving (het aanpassen van de hoeveelheid phenylalanine). Genetische aanleg
kan dus aangepast worden.
Hoofdstuk 1 The Major Issues
Vraag 1: De definitie luidt (vertaald) als volgt: “biopsychologie is de studie van de
fysiologische, evolutionaire en ontwikkelingsmechanismen van gedrag en ervaring.”
Vraag 2: Het gaat hier om de volgende 3 standpunten. De eerste is het dualisme.
Deze visie gaat er van uit dat lichaam en geest verschillend zijn en onafhankelijk van
elkaar bestaan (zie ook René Descartes).
De tweede is het monisme. Deze visie gaat er van uit dat het universum uit alleen
maar één substantie bestaat. Mentale activiteit en breinactiviteit gaan hand in hand.
Het een kan niet zonder het ander. Monisme valt in de volgende categorieën;
materialisme, mentalisme en identiteit positie.
De derde is het solipsisme. Deze visie gaat er van uit dat alleen ik besta en alleen
ik bewust ben. Anderen zijn slechts personages net zoals in een droom.
Vraag 3: Het gaat hier om de volgende 4 categorieën. De eerste is fysiologisch.
Hier gaat het om de activiteit van het brein en andere organen. De tweede is een
ontogenetische verklaring. Deze beschrijft hoe gedrag zich ontwikkelt door de
invloed van genen, voeding, ervaringen en de interactie hier tussen. De derde is
evolutionair. Hierbij wordt gedrag gereconstrueert aan de hand van z’n
evolutionaire geschiedenis. De vierde is functioneel en beschrijft waarom bepaald
gedrag zich heeft ontwikkelt.
Vraag 4: David Chalmers bedoelde het volgende. The easy problems bestaan uit
vragen als het verschil tussen waakzaamheid en slapen en/of mechanismen die het
mogelijk maken om onze aandacht ergens op te richten. The hard problems bestaan
uit vragen als waarom en hoe enige breinactiviteit is gerelateerd aan bewustzijn.
Vraag 5: Mendalian genetics (van Gregor Mendel) bestaat uit de volgende
onderdelen. Erfelijkheid wordt mogelijk gemaakt door genen die stukjes informatie
bevatten van de vorige generaties. Genen komen in paren omdat zij langs
chromosomen liggen, die ook in paren komen. Chromosomen bestaan uit DNA en
DNA bestaat weer uit genen die de genetische code bevatten. DNA vormt een model
voor de synthese van RNA. DNA is een dubbele streng molecuul en RNA is een
enkele streng molecuul. Een RNA-molecuul vormt vervolgens een model voor de
synthese van proteïne moleculen. Sommigen zijn onderdeel van de structuur van het
lichaam en andere functioneren als enzymen.
Een identiek paar van genen op twee chromosomen is homozygoot voor dat gen.
Een niet-identiek paar is heterozygoot voor dat gen. Een dominant gen heeft een
, sterk effect bij zowel de homozygote als heterozygote situatie. Een recessief gen
laat alleen effect zien bij een homozygote situatie.
Vraag 6: Genen hebben invloed op gedrag doordat zij bijvoorbeeld een proteïne
produceren die de ogen bruin maken. Een gen voor bijvoorbeeld alcoholisme zal niet
direct alcholisme veroorzaken, maar zal met bepaalde omstandigheden de kans
verhogen. Hoe jij wordt behandeld (omgeving) zorgt ook voor andere werkingen van
een bepaald gen en zodoende voor een indirecte werking op het gedrag.
Omgevingsfactoren bestaan uit het binden van een methylgroep (CH3) op een gen
die deze vervolgens inactiveert. Daarnaast hebben factoren als ondervoeding of
hevige stress veel invloed op het inactiveren van een gen.
Phenylketonuria kan bijvoorbeeld verholpen worden door het aanpassen van de
omgeving (het aanpassen van de hoeveelheid phenylalanine). Genetische aanleg
kan dus aangepast worden.