Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Overig

Samenvatting van de Hoorcolleges en de Artikelen voor het vak Ontwikkelingsvraagstukken in de Internationale Politiek, Politicologie IBO, Jaar 2, Universiteit Leiden, 2015/2016

Beoordeling
4.5
(2)
Verkocht
4
Pagina's
37
Geüpload op
08-03-2016
Geschreven in
2015/2016

Samenvatting van de Hoorcolleges en Literatuur van het vak Ontwikkelingsvraagstukken in de Internationale Politiek, 2015/2016, Politicologie (IBO), gegeven aan de Universiteit Leiden: De literatuursamenvatting bestaat uit de volgende artikelen: - J. Gusfield, ‘Tradition and Modernity: Misplaced Polarities in the Study of Social Change’ in American Journal of Sociology, Vol. 72, no 4 (Jan 1967) p. 351-362. - S.P Huntington, ‘Political Development and Political Decay’, World Politics 17, 3 (1965), p. 386-393 en 405-417. - T. Smith, ‘The Underdevelopment of Development Literature: the Case of Dependency Theory’, World Politics, 31, 2 (Jan 1979), pp. 247t/m 259. - A. Escobar. ‘Reflections on ‘Development’: Grassroots Approaches and Alternative Politics in the Third World.’ Futures, Vol 24, 5 (June 1992), pp 411-436. - S. Matthews, ‘Post-development Theory and the Question of Alternatives: a View from Africa’. Third World Quarterly, Vol 25, No 2 (2004), pp 373-384. - A. Saith, ‘From Universal Values to Millenium Development Goals: Lost in Translation’, Development and Change, 37,6, pp . - J. Sachs, Hoofdstuk 14: ‘A Global Compact to End Poverty’ in The End of Poverty: Economic Possibilities for Our Time, (London, Penguin Books), pp 266-288. - W. Easterly, ‘The Big Push Déjà Vu: A review of Jeffrey Sachs’s “The End of Poverty: Economic Possibilities for Our Time”, Journal of Economic Literature, 44, 1 (March 2006), pp.96-105.

Meer zien Lees minder
Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Ontwikkelingsvraagstukken in de Internationale Politiek (OVIP)

Hoorcollege 1: Introductie

Ieder label of iedere naamgeving impliceert altijd een nadruk op één aspect of kenmerk, zoals
inkomen, geschiedenis of kolonisatie, en welke theoretische invalshoek je daarbij gebruikt,
bijvoorbeeld de moderniseringstheorie of de afhankelijkheidstheorie. De gevaren hiervan zijn echter
dat je te abstract redeneert of zelfs hele groepen landen generaliseerd, terwijl er ook verschillen
tussen en binnen landen zijn, een ‘wij’ vs. ‘zij’ mentaliteit kan door het gebruik van labels of termen
ontstaan.

De waarde van één term of één label kan subjectieve identificatie zijn zoals de ‘non-aligned
movement’ met zijn naam gebruikt, of objectief van aard zijn zoals ‘armoede’, ‘hoge bevolkingsgroei’
of andere kenmerken van één land of een gebied.

Wat is armoede echter? Hoe stel je het vast, of hoe meet je het?

Armoede kent twee onderscheidingen, namelijk een:

- Nauwe en ééndimensionale definitie, die alleen is gefixeerd op het inkomen, en daar een
begrip als ‘extreme poverty’ op baseerd.
- Brede en multidimensionale definitie, die rekening houdt met meerdere op ‘armoede’ van
invloed zijnde factoren, zoals scholing, honger, geweld, machteloosheid, dus zowel materiële
als niet materiële deprivatie. Een indicator die deze factoren meeneemt is het HDI.

Ook is er nog een onderscheid tussen:

- Absolute armoede: Minimale dagelijks behoeften niet vervuld, zo iemand is ‘zeker’ arm.
- Relatieve armoede: Bijvoorbeeld minder dan 60% van het ‘median’ inkomen, zo iemand is
relatief arm ten opzichte van anderen.

En als laatst is er nog een onderscheid tussen:

- Objectieve armoede, welke empirisch is vast te stellen, bijvoorbeeld geen of laag inkomen,
weinig jaren scholing, geen voedsel, etc.
- Subjectieve armoede, iemand kan al deze zaken wel hebben, maar zich toch arm voelen, of
juist geen van deze zaken hebben, maar zich helemaal niet arm voelen.

Ook is er kritiek wat betreft het gebruik van objectieve harde data wat betreft armoede, zo zijn deze
te veel gericht op de technische details en is er te weinig aandacht voor de context en de oorzaken,
anderzijds pogen zij, veelal kwalitatieve onderzoekers, dit op te lossen door zich te richten op de
percepties, identiteiten, cultuur en de context van de betrokkenen zelf, echter levert dit weer geen
vergelijkbare data op.

Waar zijn de armen?

Uitgaande van de ‘extreme poverty’ definitie van armoede, welke alleen een dagelijkse
inkomensgrens van 1,25$ hanteerd, met name in de lage inkomens landen, echter is er ook een

,toenemend aantal armen in midden- en hoge inkomenslanden te vinden, veelal in ‘pockets of
poverty’.

Er zijn verschillende benaderingen wat betreft hoe armoede ontstaat:

- Het is een natuurlijke conditie, de cultuur van bepaalde landen zorgt ervoor, zij hebben
bijvoorbeeld geen ‘ondernemerscultuur’ zoals die in het Westen heerst, of is het gevolg van
pech.

Twee benaderingen worden echter bij uitstek vergeleken:

- De endogene individualistische benadering, welke stelt dat armoede een gevolg is van
iemands eigen handelen, en ongelijkheid geen negatieve factor maar juist werkt als motivatie
om het maximale uit je leven te halen.
- De exogene en structuralistische benadering, welke stelt dat armoede een gevolg is van de
structuur van de wereldeconomie, de politiek, of de binnenlandse machtsverschillen, en het
juist als de verantwoordelijkheid van het systeem ziet om er iets aan te doen. Daarnaast
wordt armoede naast veroorzaakt door dit systeem, ook gereproduceerd, mensen zitten
‘klem’ in het systeem.

Ongelijkheid; enerzijds is er tegenwoordig ongekende rijkdom, de wereld is nog nooit zo ‘welvarend’
geweest, anderzijds ook extreme ongelijkheid, zowel tussen als binnen landen.

Er zijn verschillende wijzen om ongelijkheid te bestrijden, je kan je namelijk richten op:

- Equality of oppurtunity, de maatschappij/overheid moet zorgen voor gelijke kansen voor
iedereen wat betreft inkomen, gezondheid en onderwijs, en wanneer je het dan niet red, ligt
dat niet aan het systeem maar aan je eigen inspanning.
- Equality of outcome, er moet volledige gelijkheid worden gecreëerd, heeft veel
overeenkomsten met communistische/socialistische visie. Iedereen moet hetzelfde inkomen,
woning, gezondheidszorg of onderwijs hebben.

Het meten van ‘equality of oppurtunity’ is echter lasting, bijvoorbeeld door een gebrek aan data,
het meten van ‘equality of outcome’ is veel makkelijker, daarom poogt men de ‘equality of
oppurtunity’ daaruit te herleiden, hoewel dit natuurlijk niet waterdicht is.

Ontwikkeling

Ontwikkeling is lastig te definiëren, en heeft vele mogelijke betekenissen, je kan economische
ontwikkeling bedoelen, sociologische, politieke etcetera, daarom is het van belang dit expliciet te
benoemen. Wat je met ontwikkeling bedoelt is afhankelijk van welke visie, ideologie, belang of doel
je erop nahoudt. Na de Tweede Wereldoorlog werd ontwikkeling echter met name als economische
groei getypeerd door Westerse landen, deze visie is geënt op de neoklassieke economie van Adam
Smith. Accumulatie van kapitaal leidt tot investering, verbeterde technologie leidt tot hogere
arbeidsproductiviteit, en dit leidt uiteindelijk tot grotere rijkdom, dit is de ‘optimistische’ visie
(Truman). Daarnaast verplaatst de overtollige arbeid zich uit de traditionele agrarische sector zich
naar industrie en diensten (verstedelijking), de structuur van de economie van een land veranderd.
De rol van de individuen (agency) en de cultuur is hierbij van belang, investeringen, uitvindingen

,etcetera zijn belangrijk, protestantse waarden. Het ‘trickle down’ effect zal er dan vervolgens voor
zorgen dat ook de armoede wordt uitgeroeid, ‘iedereen profiteert’.

Er zijn echter ook kritieken op deze traditionele visie:

- Eéndimensionaal; te grote nadruk op economische groei, indicator alleen het per capita
inkomen, en het niveau van analyse zijn landen.
- Niet zichtbaar; de ‘trickle down’ effecten zijn soms helemaal niet zichtbaar, grote
ongelijkheid binnen landen.

Wat is dan wel nodig? ‘Good Change’:

Ontwikkeling moet niet geënt zijn op economische groei, maar op ‘the realization of the potential of
human personality’ (Seers, 1972), de basic needs en de armoedebestrijding moet centraal gaan
staan. Amartya Sen’s Capability Approach was ook van grote waarde in deze bewustwording, dit
waren de hoofdpunten daaruit:

- De focus moet worden gelegd op de ‘capabilities’ van personen
- Ontwikkeling is de uitbreiding van mogelijkheden volgens haar
- En armoede is het gevolg van ‘capability deprivation’
- Vrijheid is verder zowel het doel als het middel voor ontwikkeling.

Een gevolg van deze ontwikkelingen was de Human Development Index (HDI), deze is gebaseerd op:

- Gezondheid: Levensverwachting
- Onderwijs
- Per capita inkomen (PPP)

Van de Tweede Wereldoorlogse economische visie op ontwikkeling, tot Amartya Sen’s invloedrijke
capabilities approach uit de jaren ‘80, lijkt de wereld in de 20ste eeuw op weg naar een synthese, met
name de Millenium Development Goals van 2000 kunnen hier als bewijs voor worden gebruikt,
aangezien ook wensen zoals gelijkheid, gelijke rechten- en participatie voor groepen en vrouwen
hierin werd betrokken. Dit wordt ook wel de ‘post-Washington consensus’ genoemd. De
Washington Consensus (1989) was namelijk een met name door neoliberaal denken beïnvloedde
ontwikkelingsstrategie, welke onder andere uitbreiding van de belastingen inhield,
handelsliberalisatie, liberalisatie van buitenlandse directe investeringen, privatisering van bedrijven
in staatseigendom en bescherming van eigendomsrechten inhield. Het debat in de 20ste eeuw ging
dan ook met name over ‘veel staat vs weinig staat’, ‘groei vs verdeling’, zoals naar voren kwam in de
moderniserings- en afhankelijkheidstheorie. Met de Millenium Development Goals en de Post-
Washington Consensus lijkt hier dus verandering in gekomen.

,Hoorcollege 2: Moderniseringstheorie; Invloed op Beleid

De paradox van modernisering bestaat uit twee delen:

- Enerzijds vooruitgang, technologische vernieuwing, en ongekende rijkdom, welke een
positieve visie stimuleert en een argument is voor het naoorlogse ontwikkelingsdenken, de
moderniseringstheorie
- Anderzijds vervreemding, ongelijkheid, de achterblijvers of zij die nog in nagenoeg dezelfde
armoede leven als daarvoor, of helemaal niet hebben geprofiteerd van deze rijkdom, welke
het tegenovergestelde stimuleert, namelijk revolutionaire visies en critici van het
(naoorlogse) ontwikkelingsdenken

De moderniseringstheorie heeft verschillende wortels:

- Verlichtingsdenken, men ging de mens zien als zelfdeterminerend, de legitimatie van de
politieke orde verviel
- Het vertrouwen in technologie
- Het idee van historische vooruitgang en zelfconstructie van politieke ordes, verandering
(vooruitgang) is de norm
- En er valt een analogie te trekken met de evolutietheorieën, de mens ‘evolueert’, en dient
met verlichtingsdenken zijn mens- en wereldbeeld te bepalen.

Dit is de kern van de moderniseringstheorie

- Eurocentrisch, Europese landen zijn ‘prototypes’
- Onderontwikkeling is gevolg van slecht bestuur, traditionele productie/cultuur
- Kapitaal, technologie en instituties geven baan aan modernisering
- Transitieproces van traditioneel naar modern middels sociale/culturele/politieke
veranderingen, en economische impulsen zorgen voor ‘cathing up’, modernisering.
- Lineair, unit of analysis: Staten

Rostow’s ‘Stages of Economic Growth’:

1. Traditional Society
2. Pre-conditions for take-off (rol voor het Westen)
3. Take-off (interne factoren)
4. Drive to Maturity
5. Age of Mass Consumption

De sociologie beschouwd modernisering als een complexe wisselwerking van:

- Industrialisatie en urbanisatie
- Onderwijs en communicatie
- Specialisatie en differentiatie
- Secularisatie

Welke zorgen voor verandering in structuren, cultuur en oriëntaties van de bewoners

, Parson’s Patroonvariabelen




Op deze patroonvariabelen die enerzijds rationalisatie inhouden, een specialisatie en differentiatie
van rollen door bijvoorbeeld onderwijs, universele criteria zoals zaken vastgelegd in de grondwet,
zelfdeterminantie, en individualisme zijn ook bepaalde kritieken. Waaronder:

- Bestaat de tegenstelling tussen traditioneel en moderniteit wel echt? Is het niet
etnografisch?
- Zijn de doelen niet veel te liniear
- Betekend modernisering westernisering? Is het niet te eurocentrisch?
- Het proces naar modernisering te ‘verwesterd’, te homogeen en hegemonisch, misschien zijn
er wel andere varianten?
- De theorie, ideologie en het beleid zijn (te?) verweven, vanuit een normatief perspectief kan
dit problematisch zijn.

Op welke wijze wordt tegen modernisering van uit politicologisch perspectief aangekeken?

- Sociale mobilisering, verhoging politieke participatie
- ‘Subsystemen’ zoals partijen, belangengroepen etc. ontstaan door ‘structurele differentiatie’
- Verwachting dat hierdoor modern democratisch systeem ontstaat

Het ‘Political Development’ paradigma van de jaren 1950 en 1960 bestond uit de systeemtheorie,
deze analyseerde:

- Op een hoger abstractie-niveau
- Maakte gebruik van structuren en functies (differentiatie) (denk aan Eerste Kamer, Tweede
Kamer, scheiding van macht, politieke partijen etc.)
- Sprake van Input  Conversie  Output  Terugkoppeling in het systeem.
- Political development is ‘increased capacity of the political system’, het system zorgt/moet
zorgen voor ‘system maintenance’ en (daardoor) stabiliteit.

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
8 maart 2016
Bestand laatst geupdate op
21 september 2016
Aantal pagina's
37
Geschreven in
2015/2016
Type
OVERIG
Persoon
Onbekend

Onderwerpen

$4.19
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Beoordelingen van geverifieerde kopers

Alle 2 reviews worden weergegeven
9 jaar geleden

9 jaar geleden

4.5

2 beoordelingen

5
1
4
1
3
0
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
DominiqueDeinum Universiteit Leiden
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
156
Lid sinds
12 jaar
Aantal volgers
97
Documenten
0
Laatst verkocht
6 maanden geleden

3.9

29 beoordelingen

5
6
4
15
3
6
2
2
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen