Hoorcollege 1: Introductie
Ieder label of iedere naamgeving impliceert altijd een nadruk op één aspect of kenmerk, zoals
inkomen, geschiedenis of kolonisatie, en welke theoretische invalshoek je daarbij gebruikt,
bijvoorbeeld de moderniseringstheorie of de afhankelijkheidstheorie. De gevaren hiervan zijn echter
dat je te abstract redeneert of zelfs hele groepen landen generaliseerd, terwijl er ook verschillen
tussen en binnen landen zijn, een ‘wij’ vs. ‘zij’ mentaliteit kan door het gebruik van labels of termen
ontstaan.
De waarde van één term of één label kan subjectieve identificatie zijn zoals de ‘non-aligned
movement’ met zijn naam gebruikt, of objectief van aard zijn zoals ‘armoede’, ‘hoge bevolkingsgroei’
of andere kenmerken van één land of een gebied.
Wat is armoede echter? Hoe stel je het vast, of hoe meet je het?
Armoede kent twee onderscheidingen, namelijk een:
- Nauwe en ééndimensionale definitie, die alleen is gefixeerd op het inkomen, en daar een
begrip als ‘extreme poverty’ op baseerd.
- Brede en multidimensionale definitie, die rekening houdt met meerdere op ‘armoede’ van
invloed zijnde factoren, zoals scholing, honger, geweld, machteloosheid, dus zowel materiële
als niet materiële deprivatie. Een indicator die deze factoren meeneemt is het HDI.
Ook is er nog een onderscheid tussen:
- Absolute armoede: Minimale dagelijks behoeften niet vervuld, zo iemand is ‘zeker’ arm.
- Relatieve armoede: Bijvoorbeeld minder dan 60% van het ‘median’ inkomen, zo iemand is
relatief arm ten opzichte van anderen.
En als laatst is er nog een onderscheid tussen:
- Objectieve armoede, welke empirisch is vast te stellen, bijvoorbeeld geen of laag inkomen,
weinig jaren scholing, geen voedsel, etc.
- Subjectieve armoede, iemand kan al deze zaken wel hebben, maar zich toch arm voelen, of
juist geen van deze zaken hebben, maar zich helemaal niet arm voelen.
Ook is er kritiek wat betreft het gebruik van objectieve harde data wat betreft armoede, zo zijn deze
te veel gericht op de technische details en is er te weinig aandacht voor de context en de oorzaken,
anderzijds pogen zij, veelal kwalitatieve onderzoekers, dit op te lossen door zich te richten op de
percepties, identiteiten, cultuur en de context van de betrokkenen zelf, echter levert dit weer geen
vergelijkbare data op.
Waar zijn de armen?
Uitgaande van de ‘extreme poverty’ definitie van armoede, welke alleen een dagelijkse
inkomensgrens van 1,25$ hanteerd, met name in de lage inkomens landen, echter is er ook een
,toenemend aantal armen in midden- en hoge inkomenslanden te vinden, veelal in ‘pockets of
poverty’.
Er zijn verschillende benaderingen wat betreft hoe armoede ontstaat:
- Het is een natuurlijke conditie, de cultuur van bepaalde landen zorgt ervoor, zij hebben
bijvoorbeeld geen ‘ondernemerscultuur’ zoals die in het Westen heerst, of is het gevolg van
pech.
Twee benaderingen worden echter bij uitstek vergeleken:
- De endogene individualistische benadering, welke stelt dat armoede een gevolg is van
iemands eigen handelen, en ongelijkheid geen negatieve factor maar juist werkt als motivatie
om het maximale uit je leven te halen.
- De exogene en structuralistische benadering, welke stelt dat armoede een gevolg is van de
structuur van de wereldeconomie, de politiek, of de binnenlandse machtsverschillen, en het
juist als de verantwoordelijkheid van het systeem ziet om er iets aan te doen. Daarnaast
wordt armoede naast veroorzaakt door dit systeem, ook gereproduceerd, mensen zitten
‘klem’ in het systeem.
Ongelijkheid; enerzijds is er tegenwoordig ongekende rijkdom, de wereld is nog nooit zo ‘welvarend’
geweest, anderzijds ook extreme ongelijkheid, zowel tussen als binnen landen.
Er zijn verschillende wijzen om ongelijkheid te bestrijden, je kan je namelijk richten op:
- Equality of oppurtunity, de maatschappij/overheid moet zorgen voor gelijke kansen voor
iedereen wat betreft inkomen, gezondheid en onderwijs, en wanneer je het dan niet red, ligt
dat niet aan het systeem maar aan je eigen inspanning.
- Equality of outcome, er moet volledige gelijkheid worden gecreëerd, heeft veel
overeenkomsten met communistische/socialistische visie. Iedereen moet hetzelfde inkomen,
woning, gezondheidszorg of onderwijs hebben.
Het meten van ‘equality of oppurtunity’ is echter lasting, bijvoorbeeld door een gebrek aan data,
het meten van ‘equality of outcome’ is veel makkelijker, daarom poogt men de ‘equality of
oppurtunity’ daaruit te herleiden, hoewel dit natuurlijk niet waterdicht is.
Ontwikkeling
Ontwikkeling is lastig te definiëren, en heeft vele mogelijke betekenissen, je kan economische
ontwikkeling bedoelen, sociologische, politieke etcetera, daarom is het van belang dit expliciet te
benoemen. Wat je met ontwikkeling bedoelt is afhankelijk van welke visie, ideologie, belang of doel
je erop nahoudt. Na de Tweede Wereldoorlog werd ontwikkeling echter met name als economische
groei getypeerd door Westerse landen, deze visie is geënt op de neoklassieke economie van Adam
Smith. Accumulatie van kapitaal leidt tot investering, verbeterde technologie leidt tot hogere
arbeidsproductiviteit, en dit leidt uiteindelijk tot grotere rijkdom, dit is de ‘optimistische’ visie
(Truman). Daarnaast verplaatst de overtollige arbeid zich uit de traditionele agrarische sector zich
naar industrie en diensten (verstedelijking), de structuur van de economie van een land veranderd.
De rol van de individuen (agency) en de cultuur is hierbij van belang, investeringen, uitvindingen
,etcetera zijn belangrijk, protestantse waarden. Het ‘trickle down’ effect zal er dan vervolgens voor
zorgen dat ook de armoede wordt uitgeroeid, ‘iedereen profiteert’.
Er zijn echter ook kritieken op deze traditionele visie:
- Eéndimensionaal; te grote nadruk op economische groei, indicator alleen het per capita
inkomen, en het niveau van analyse zijn landen.
- Niet zichtbaar; de ‘trickle down’ effecten zijn soms helemaal niet zichtbaar, grote
ongelijkheid binnen landen.
Wat is dan wel nodig? ‘Good Change’:
Ontwikkeling moet niet geënt zijn op economische groei, maar op ‘the realization of the potential of
human personality’ (Seers, 1972), de basic needs en de armoedebestrijding moet centraal gaan
staan. Amartya Sen’s Capability Approach was ook van grote waarde in deze bewustwording, dit
waren de hoofdpunten daaruit:
- De focus moet worden gelegd op de ‘capabilities’ van personen
- Ontwikkeling is de uitbreiding van mogelijkheden volgens haar
- En armoede is het gevolg van ‘capability deprivation’
- Vrijheid is verder zowel het doel als het middel voor ontwikkeling.
Een gevolg van deze ontwikkelingen was de Human Development Index (HDI), deze is gebaseerd op:
- Gezondheid: Levensverwachting
- Onderwijs
- Per capita inkomen (PPP)
Van de Tweede Wereldoorlogse economische visie op ontwikkeling, tot Amartya Sen’s invloedrijke
capabilities approach uit de jaren ‘80, lijkt de wereld in de 20ste eeuw op weg naar een synthese, met
name de Millenium Development Goals van 2000 kunnen hier als bewijs voor worden gebruikt,
aangezien ook wensen zoals gelijkheid, gelijke rechten- en participatie voor groepen en vrouwen
hierin werd betrokken. Dit wordt ook wel de ‘post-Washington consensus’ genoemd. De
Washington Consensus (1989) was namelijk een met name door neoliberaal denken beïnvloedde
ontwikkelingsstrategie, welke onder andere uitbreiding van de belastingen inhield,
handelsliberalisatie, liberalisatie van buitenlandse directe investeringen, privatisering van bedrijven
in staatseigendom en bescherming van eigendomsrechten inhield. Het debat in de 20ste eeuw ging
dan ook met name over ‘veel staat vs weinig staat’, ‘groei vs verdeling’, zoals naar voren kwam in de
moderniserings- en afhankelijkheidstheorie. Met de Millenium Development Goals en de Post-
Washington Consensus lijkt hier dus verandering in gekomen.
,Hoorcollege 2: Moderniseringstheorie; Invloed op Beleid
De paradox van modernisering bestaat uit twee delen:
- Enerzijds vooruitgang, technologische vernieuwing, en ongekende rijkdom, welke een
positieve visie stimuleert en een argument is voor het naoorlogse ontwikkelingsdenken, de
moderniseringstheorie
- Anderzijds vervreemding, ongelijkheid, de achterblijvers of zij die nog in nagenoeg dezelfde
armoede leven als daarvoor, of helemaal niet hebben geprofiteerd van deze rijkdom, welke
het tegenovergestelde stimuleert, namelijk revolutionaire visies en critici van het
(naoorlogse) ontwikkelingsdenken
De moderniseringstheorie heeft verschillende wortels:
- Verlichtingsdenken, men ging de mens zien als zelfdeterminerend, de legitimatie van de
politieke orde verviel
- Het vertrouwen in technologie
- Het idee van historische vooruitgang en zelfconstructie van politieke ordes, verandering
(vooruitgang) is de norm
- En er valt een analogie te trekken met de evolutietheorieën, de mens ‘evolueert’, en dient
met verlichtingsdenken zijn mens- en wereldbeeld te bepalen.
Dit is de kern van de moderniseringstheorie
- Eurocentrisch, Europese landen zijn ‘prototypes’
- Onderontwikkeling is gevolg van slecht bestuur, traditionele productie/cultuur
- Kapitaal, technologie en instituties geven baan aan modernisering
- Transitieproces van traditioneel naar modern middels sociale/culturele/politieke
veranderingen, en economische impulsen zorgen voor ‘cathing up’, modernisering.
- Lineair, unit of analysis: Staten
Rostow’s ‘Stages of Economic Growth’:
1. Traditional Society
2. Pre-conditions for take-off (rol voor het Westen)
3. Take-off (interne factoren)
4. Drive to Maturity
5. Age of Mass Consumption
De sociologie beschouwd modernisering als een complexe wisselwerking van:
- Industrialisatie en urbanisatie
- Onderwijs en communicatie
- Specialisatie en differentiatie
- Secularisatie
Welke zorgen voor verandering in structuren, cultuur en oriëntaties van de bewoners
, Parson’s Patroonvariabelen
Op deze patroonvariabelen die enerzijds rationalisatie inhouden, een specialisatie en differentiatie
van rollen door bijvoorbeeld onderwijs, universele criteria zoals zaken vastgelegd in de grondwet,
zelfdeterminantie, en individualisme zijn ook bepaalde kritieken. Waaronder:
- Bestaat de tegenstelling tussen traditioneel en moderniteit wel echt? Is het niet
etnografisch?
- Zijn de doelen niet veel te liniear
- Betekend modernisering westernisering? Is het niet te eurocentrisch?
- Het proces naar modernisering te ‘verwesterd’, te homogeen en hegemonisch, misschien zijn
er wel andere varianten?
- De theorie, ideologie en het beleid zijn (te?) verweven, vanuit een normatief perspectief kan
dit problematisch zijn.
Op welke wijze wordt tegen modernisering van uit politicologisch perspectief aangekeken?
- Sociale mobilisering, verhoging politieke participatie
- ‘Subsystemen’ zoals partijen, belangengroepen etc. ontstaan door ‘structurele differentiatie’
- Verwachting dat hierdoor modern democratisch systeem ontstaat
Het ‘Political Development’ paradigma van de jaren 1950 en 1960 bestond uit de systeemtheorie,
deze analyseerde:
- Op een hoger abstractie-niveau
- Maakte gebruik van structuren en functies (differentiatie) (denk aan Eerste Kamer, Tweede
Kamer, scheiding van macht, politieke partijen etc.)
- Sprake van Input Conversie Output Terugkoppeling in het systeem.
- Political development is ‘increased capacity of the political system’, het system zorgt/moet
zorgen voor ‘system maintenance’ en (daardoor) stabiliteit.