Profi – Samenvatting powerpoints
Blok 1 - hoorcollege 2: Groepsbegeleiding en ontwikkeling
Een groep bestaat uit
- Een gemeenschappelijke ideologie (zelfde interesses/gedachten)
- Onderlinge afhankelijkheid
- Saamhorigheid (cohesie)
Wat heeft de groep een individu te bieden?
- Groepsidentiteit
- Persoonlijke zekerheid
- Persoonlijkheidsvorming
- Vriendschap
- Macht
Basisbehoeften van een individu binnen een groep
1. Acceptatie binnen de groep: dit levert identiteit op, voldoening behoefte aan
relatie (een van de basisbehoeften van kinderen)
2. Beheersing: macht, gezag en beïnvloeding vanuit je persoonlijkheid op de
groep (behoefte aan autonomie).
NB: macht trek je naar je toe nadat het je is toegekend door een hogere
macht, gezag wordt door een anderen aan jou toegekend.
3. Genegenheid: persoonlijke, emotionele en intieme contacten met andere
groepsleden. Je thuis voelen.
NB: Komt na opgenomen worden in de groep, regels en gedragscodes +
positie- en rolduidelijkheid.
Ontwikkeling van nieuwe groepen. 3 fases
1. Beginfase. De groep is ontstaan door bijvoorbeeld een nieuwe
klassenindeling. Interacties gaan vaak over koetjes en kalfjes, Verkennen van
nieuwe leden in de groep, Onzekerheid, Terugtrekken of juist
overmanifesteren. De rol van de docent is in deze fase erg belangrijk.
Leden van een nieuwe groep willen erbij horen, lidmaatschap.
Voorwaarden voor lidmaatschap: welk soort leiderschap heerst er in de
groep? Welk gedrag wordt wel/niet geaccepteerd? Hoe moet je met de
leider omgaan?
Leden van een nieuwe groep gaan dingen controleren zoals werk- en
besluitvormingprocedures, doelen en overeenkomstige behoeften van
groepsleden.
Een nieuw groepslid zoekt naar affectie en persoonlijk contact. Hij wil
onderlinge aantrekkingskracht (cohesie), hij wil zich veillig voelen om zich
te uiten, elkar vrije ruimte gunnen.
2. Confrontatiefase. Rangorde ‘apenrots’. Leerlingen laten meer van zichzelf
zien en verkennen onderlinge relaties. Ze durven meer authentiek te zijn.
1
, Leerlingen laten gedrag zien om zichzelf op een bepaalde manier neer te
zetten. Leerlingen komen meer in elkaars persoonlijke ruimte waardoor
botsingen ontstaan. Groepjes vorming binnen de groep (op basis van
veiligheid zoeken).
3. Harmonie – of evenwichtsfase. Na confrontaties ontstaat er een duidelijkheid
en schikt men zich in zijn of haar rol.
Er ontstaat groepjesvorming binnen een groep (op basis van keuze). Wanneer
dit positief uitpakt ontstaat er een stabiele klas. Anders ontstaan er wederom
conflicten. Het kan een moeizaam geheel blijven. De groep valt dan terug in
de vorige fase waarin hulp van docenten zinvol kan zijn (leiding geven aan
groepsproces/groepscohesie)
Onderling toenemend vertrouwen en zich durven uiten is een gevolg van
deze fase.
De verdere ontwikkeling van een groep is sterk afhankelijk van ogenschijnlijk
onmerkbare factoren zoals communicatie, normen en waarden, macht/leiderschap,
doelen en conflicten, rollen en posities.
Communicatie
- Het is onmogelijk om niet te communiceren. Al het gedrag is
communicatie.
- Elke communicatie bevat een inhouds- en een betrekkingsniveau.
- Elke communicatie is afhankelijk van de interpretatie van gebeurtenissen.
Metacommunicatie: het communicatieproces inzichtelijk maken bij een groep.
Mensen helpen op ze beter te kunnen laten communiceren.
Niveaus van communicatie in groepen
1. Inhoudsniveau: het werk aan de doelstelling en de taak.
2. Procedureniveau: de werkwijze ter concretisering van de doelstelling.
3. Interactieniveau: het groepsproces en de onderlinge betrekkingen.
4. Bestaansniveau: het individuele proces van elk groepslid.
5. Contextniveau: invloeden die in de groep doorklinken vanuit de context,
bijvoorbeeld maatschappelijke invloeden.
Valkuilen in het begeleiden van een groep
1. Te individueel blijven werken in de groep.
2. De verantwoordelijkheid te veel naar zichzelf blijven toetrekken in plaats van
te delen met de groep.
3. Het verwarren van niveaus in de groep.
4. Te eenzijdige gerichtheid op slechts één niveau in de groep.
5. Het overslaan van stappen tijdens besluitvorming.
6. Het overslaan van stappen in de groepsontwikkeling.
7. Het niet onderkennen of het niet goed hanteren van de eigen gevoelens als
begeleider.
8. Het te veel voorbereid hebben als begeleider en je hier te erg aan
vasthouden.
Leiderschap
- Formeel en informeel leiderschap
2
Blok 1 - hoorcollege 2: Groepsbegeleiding en ontwikkeling
Een groep bestaat uit
- Een gemeenschappelijke ideologie (zelfde interesses/gedachten)
- Onderlinge afhankelijkheid
- Saamhorigheid (cohesie)
Wat heeft de groep een individu te bieden?
- Groepsidentiteit
- Persoonlijke zekerheid
- Persoonlijkheidsvorming
- Vriendschap
- Macht
Basisbehoeften van een individu binnen een groep
1. Acceptatie binnen de groep: dit levert identiteit op, voldoening behoefte aan
relatie (een van de basisbehoeften van kinderen)
2. Beheersing: macht, gezag en beïnvloeding vanuit je persoonlijkheid op de
groep (behoefte aan autonomie).
NB: macht trek je naar je toe nadat het je is toegekend door een hogere
macht, gezag wordt door een anderen aan jou toegekend.
3. Genegenheid: persoonlijke, emotionele en intieme contacten met andere
groepsleden. Je thuis voelen.
NB: Komt na opgenomen worden in de groep, regels en gedragscodes +
positie- en rolduidelijkheid.
Ontwikkeling van nieuwe groepen. 3 fases
1. Beginfase. De groep is ontstaan door bijvoorbeeld een nieuwe
klassenindeling. Interacties gaan vaak over koetjes en kalfjes, Verkennen van
nieuwe leden in de groep, Onzekerheid, Terugtrekken of juist
overmanifesteren. De rol van de docent is in deze fase erg belangrijk.
Leden van een nieuwe groep willen erbij horen, lidmaatschap.
Voorwaarden voor lidmaatschap: welk soort leiderschap heerst er in de
groep? Welk gedrag wordt wel/niet geaccepteerd? Hoe moet je met de
leider omgaan?
Leden van een nieuwe groep gaan dingen controleren zoals werk- en
besluitvormingprocedures, doelen en overeenkomstige behoeften van
groepsleden.
Een nieuw groepslid zoekt naar affectie en persoonlijk contact. Hij wil
onderlinge aantrekkingskracht (cohesie), hij wil zich veillig voelen om zich
te uiten, elkar vrije ruimte gunnen.
2. Confrontatiefase. Rangorde ‘apenrots’. Leerlingen laten meer van zichzelf
zien en verkennen onderlinge relaties. Ze durven meer authentiek te zijn.
1
, Leerlingen laten gedrag zien om zichzelf op een bepaalde manier neer te
zetten. Leerlingen komen meer in elkaars persoonlijke ruimte waardoor
botsingen ontstaan. Groepjes vorming binnen de groep (op basis van
veiligheid zoeken).
3. Harmonie – of evenwichtsfase. Na confrontaties ontstaat er een duidelijkheid
en schikt men zich in zijn of haar rol.
Er ontstaat groepjesvorming binnen een groep (op basis van keuze). Wanneer
dit positief uitpakt ontstaat er een stabiele klas. Anders ontstaan er wederom
conflicten. Het kan een moeizaam geheel blijven. De groep valt dan terug in
de vorige fase waarin hulp van docenten zinvol kan zijn (leiding geven aan
groepsproces/groepscohesie)
Onderling toenemend vertrouwen en zich durven uiten is een gevolg van
deze fase.
De verdere ontwikkeling van een groep is sterk afhankelijk van ogenschijnlijk
onmerkbare factoren zoals communicatie, normen en waarden, macht/leiderschap,
doelen en conflicten, rollen en posities.
Communicatie
- Het is onmogelijk om niet te communiceren. Al het gedrag is
communicatie.
- Elke communicatie bevat een inhouds- en een betrekkingsniveau.
- Elke communicatie is afhankelijk van de interpretatie van gebeurtenissen.
Metacommunicatie: het communicatieproces inzichtelijk maken bij een groep.
Mensen helpen op ze beter te kunnen laten communiceren.
Niveaus van communicatie in groepen
1. Inhoudsniveau: het werk aan de doelstelling en de taak.
2. Procedureniveau: de werkwijze ter concretisering van de doelstelling.
3. Interactieniveau: het groepsproces en de onderlinge betrekkingen.
4. Bestaansniveau: het individuele proces van elk groepslid.
5. Contextniveau: invloeden die in de groep doorklinken vanuit de context,
bijvoorbeeld maatschappelijke invloeden.
Valkuilen in het begeleiden van een groep
1. Te individueel blijven werken in de groep.
2. De verantwoordelijkheid te veel naar zichzelf blijven toetrekken in plaats van
te delen met de groep.
3. Het verwarren van niveaus in de groep.
4. Te eenzijdige gerichtheid op slechts één niveau in de groep.
5. Het overslaan van stappen tijdens besluitvorming.
6. Het overslaan van stappen in de groepsontwikkeling.
7. Het niet onderkennen of het niet goed hanteren van de eigen gevoelens als
begeleider.
8. Het te veel voorbereid hebben als begeleider en je hier te erg aan
vasthouden.
Leiderschap
- Formeel en informeel leiderschap
2