Probleem of Puzzel Conceptualisering & Operationalisatie Onderzoeksdesign, ‘plan of attack’
Observatie & Dataverzameling Data-analyse Interpretatie & Evaluatie.
Opbouw hoorcolleges:
1. Introductie en bespreking
2. Probleem, onderzoeksvraag, theorie (Br.: 1, 2, 3, 4, 5, 6)
3. Probleem, onderzoeksvraag, theorie (Br.: 1, 2, 3, 4, 5, 6)
4. Concepten en operationalisatie (Br.: 7, 17)
5. Van populatie naar steekproef (Br.: 8)
6. Van populatie naar geval(len) (Br.: 3 [66-75], 18)
7. Experiment (Br.: 3 [50-58])
8. Surveyonderzoek (Br.: 9, 10, 11)
9. Interview en groepsgesprek (Br.: 20-21)
10. Observatie en participatie (Br.: 12, 19)
11. Bestaande data, big data (Br.: 13, 14, 23)
12. Analyse en presentatie (Br.: 15, 22, 24, 29)
13. Reflectie & responsiebijeenkomst
Tentamenstof Bryman:
1. Hoofdtekst incl. tabellen, overzichten e.d.: +++
2. Kernbegrippen (Key concepts): +++
,Hoorcollege 2
- “Academics conduct (…) research because, in the course of reading the literature on a topic
or when reflecting on what is going on in modern social [political, JvH] life, questions occur to
them” en “there is an aspect of our understanding of what goes on in society that is to some
extent unresolved” (p.5).
Problemen in kennen vs. problemen in kunnen
Fundamenteel vs. praktijkgericht onderzoek
Soorten (empirische) problemen, er zijn beschrijvingsproblemen, verklaringsproblemen en
voorspellingsproblemen.
1) Beschrijvingsproblemen
Hoe zit X in elkaar? ( bijvoorbeeld koopgedrag van jongeren wat betreft alcohol)
= Exploratief, descriptief onderzoek
2) Verklaringsproblemen
Hoe komt het dat X? ( effect bewerkt vlees, parlementaire enquête Fyra?)
= Verklarend, toetsend onderzoek
3) Voorspellingsproblemen
Hoe zal X in de toekomst zijn? ( peilingen politieke voorkeur? Welke partij lijkt de grootste
te worden?)
Soorten onderzoeksvragen - Key concept 1.1 (p.9)
1) predicting an outcome (voorspellend)
2) explaining causes and consequences (verklarend)
3) evaluating a phenomenon ( parlementaire enquête Fyra) (beschrijvend)
4) describing a phenomenon (beschrijvend)
5) developing good practice (voorspellend)
6) empowerment (voorspellend)
7) comparison (beschrijvend)
,Vooronderzoek = onderzoek
- Het geeft een beeld van stand van zaken kennis, inclusief controverses, inconsistenties en
hiaten;
- Het geeft inzicht in de gangbare theorieën en concepten;
- Het geeft een beeld van de gebruikelijke/mogelijke onderzoekstechnische aanpak of
aanpakken.
Probleem en probleemstelling
Bij een probleemstelling geef je in feite al
richting aan je onderzoek. Je probleemstelling
is namelijk datgene wat je wilt gaan
onderzoeken, of waar je door middel van
onderzoek een antwoord op wilt hebben. De
probleemstelling is dus onderdeel van het
onderzoeksplan, waarin is aangegeven
wanneer, wat, waar, hoe, hoeveel en wanneer
er onderzocht gaat worden. De
probleemstelling is het waarom (doelstelling:
wetenschappelijke en maatschappelijke
relevantie) en wat (vraagstelling: centrale
onderzoeksvraag) van het onderzoek
Verschuren: “Onderzoek is een doelbewust en
methodisch zoeken naar nieuwe kennis in de vorm van antwoorden op tevoren gestelde vragen”
(1992: 22); maar tegelijkertijd is er ‘the messiness of social research’: “In fact, research is full of false
starts, blind alleys, mistakes, and enforced changes to research plans” (p.15).
Vraagstelling: Centrale onderzoeksvraag
Essentieel belang van scherpe, eenduidige centrale onderzoeksvraag, want deze…
- Geeft richting aan (nader) literatuuronderzoek;
- Wijst in richting design of onderzoeksaanpak, inclusief methoden van dataverzameling;
- Structureert data-analyse en presentatie bevindingen;
- Is controle op wat er wel/niet toe doet.
Door middel van de centrale vraag in je onderzoek verder te ontwikkelen in deelvragen, kan je
middels die deelvragen je centrale onderzoeksvraag beantwoorden. Zij zijn in feite de bouwstenen
voor je centrale onderzoeksvraag.
De status van kennis in je onderzoek is afhankelijk van je soort onderzoek, niet wetenschappelijk
of wetenschappelijk?
Niet wetenschappelijk o.a.: Wetenschappelijk o.a.:
1. Persoonlijke ervaring Systematisch, methodisch
2. Intuïtie Gerelateerd aan theorie
3. Gezag, autoriteit Herhaalbaar, verifieerbaar
4. Traditie, gewoonte Reflectief, (zelf)kritisch
5. Geloof, bijgeloof Cumulatief, proces
,Spil wetenschappelijk onderzoek: Theorie
- “(…) research data achieve significance (…) when viewed in relation to theoretical concerns”
en “theory is important (…) because it provides a backcloth and rationale for the research
that is being conducted. It also provides a framework within which social phenomena can be
understood and the social findings can be interpreted” (p.20). Bryman
- “Theorieën vormen enerzijds het resultaat van onderzoek, anderzijds richten en inspireren zij
het wetenschappelijk onderzoek. Het zijn (…) uitsprakenstelsels die dienen om
beschrijvingen, voorspellingen en verklaringen van de werkelijkheid mogelijk te maken.”
Swanborn
Betekenissen ‘theorie’ in sociale wetenschappen, o.a.:
- Causaal model
- Beperkt aantal basisuitspraken die ‘harde kern’ vormen van onderzoeksprogramma
- Literatuuroverzicht, of theoretisch kader
- Verzameling van onderling samenhangende algemene uitspraken waarvan enkele uitspraken
verklarende waarde hebben en toetsbaar zijn
Theorieën zijn niet per see goed of fout, maar wel meer of minder bruikbaar, daarnaast is een
theorie altijd voorlopig bruikbaar, en blijft het een door mensen gemaakte constructie.
Theorie en Data
,Deductief of Inductief Deductieve manier
Volgens Bryman:
Deductivism:
- Theory data
- Explicit hypothesis to be
confirmed or rejected
- Quantitative research
Inductivism:
- Data theory
- Generalizable inferences from
observations
- Qualitative research/grounded
theory
‘Feiten’? ‘Kennis’? Epistomologie…
Epistemologie houdt zich bezig met ‘Wat is kennis?’, en in hoeverre kan kennis gemaakt door
mensen beschouwd worden als kennis? Mensen zijn namelijk niet alwetend noch zijn theorieën vaak
voor eeuwig houdbaar. En moet de sociale wetenschap worden bestudeerd als zijnde een
natuurwetenschap zoals positivisme dat doet?
“An epistomological issue concerns the question of what is (or should be) regarded as acceptable
knowledge in a discipline” Bryman, p. 27.
Paradigma’s en Positivisme
Wat is een paradigma?
Wetenschapsfilosofen zoals Kuhn en Lakatos stellen dat onderzoekers werken vanuit een bepaald
‘paradigma’, een veelal impliciet wereldbeeld waarbij specifieke theoretische en methodische
opvattingen en assumpties horen. Kuhn beschrijft een paradigma als volgt: “Universally recognized
scientific achievements, that, for a time, provide models problems and solutions for a community of
researchers.” Paradigma’s hebben gevolgen voor:
- Wat kan worden waargenomen en onderzocht, dat is afhankelijk van wat zij in die tijd
belangrijk vinden.
- Wat relevant geachte onderzoeksvragen zijn, en wat dus niet relevant is volgens het
‘paradigma’.
- De wijze waarop die vragen worden beantwoord, het moet namelijk wel passen bij het
‘paradigma’.
- En de wijze waarop de gevonden antwoorden worden geïnterpreteerd
Paradigma’s zorgen dus voor: Wat er wordt onderzocht Hoe het wordt onderzocht Hoe er met
de resultaten wordt omgegaan Hoe de antwoorden worden geïnterpreteerd.
, Wat is positivisme?
De grondlegger van het positivisme en de sociologie is August Comte (1798-1857)
Hij stelde dat er een ‘sociale fysica’ is, oftewel een aan het natuurwetenschappelijk verwant model.
Dit model stelt dat er:
- Een waarneembare, kenbare werkelijkheid is.
- Er zijn ‘positieve’, ofwel kenbare, feiten die veelal kwantificeerbaar zijn.
- De basis van kennis moet dan ook liggen in empirisch waarneembare feiten, en niet in
bovennatuurlijke beschouwing, metafysica of speculatie.
Dit heeft de volgende implicaties voor hoe onderzoek bedreven moet worden:
- De onderzoeker/wetenschapper is onafhankelijk, objectief
- Het onderzoekproces moet een waardenvrij, objectief proces zijn, normen zijn niet
waarneembaar.
- Een deductieve benadering en hypothesetoetsing, op zoek naar oorzaak-gevolg relaties en
wetmatigheden/wetten
- En toetsbare (en falsifieerbare) theorieën staan centraal.
Interpretivisme
Naast het positivisme, is er ook het interpretivisme, wat stelt dat de sociale wetenschap niet als
natuurlijke wetenschap bedreven kan worden. De sociale wereld moet dus begrepen worden
(Verstehen), en er bestaat geen objectiviteit, de actoren en de onderzoekers zijn subjectief.