biologische ontwikkeling
3.1 Inleiding
In de adolescentie laat het lichaam - duidelijker dan in de kindertijd
- de kenmerken van de eigen sekse zien. De biologische
ontwikkeling betreft de verandering in hormoonhuishouding
(puberteit) en de ontwikkelingvan de hersenen in deze periode. De
lichamelijke veranderingen als gevolg van hormonale
veranderingen en de rijping van de hersenen hebben op hun beurt
hun weerslag op het psychisch functioneren.
3.2 Kinderen komen in de puberteit
De meeste lichamelijke veranderingen treden vroeg in de
adolescentie op. De menarche(de eerste menstruatie)
respectievelijk de spermarche (het vermogen sperma te
produceren) wordt vaak als ijkpunt beschouwd voor het begin van
de puberteit. De menarche treedt in tussen het negende en het
zestiende jaar; de spermarche tussen het tiende en het
negentiende jaar. De leeftijd waarop jongeren geslachtsrijp worden,
is in de vorige eeuw met ongeveer twee jaar afgenomen dankzij
verbeterde voeding en een sterk toegenomen hygiëne en controle
van infectieziekten. Als er al verschillen bestaan tussen etnische
groepen, dan hebben deze eerder te maken met sociaal-
economische standaards dan met de etniciteit zelf. De aanvang van
de puberteit verschilt sterk. Een en ander lijkt af te hangen van
erfelijke factoren, maar ook van voedingstoestand en stress, en van
de mate waarin het lichaam wordt getraind. Het vervroegen van de
puberteit lijkt daarbij gerelateerd te zijn aan een toename van het
aantal jongeren met overgewicht, met name bij meisjes Daarnaast
zijn er aanwijzingen dat ook meisjes met psychische problemen,
depressies, gedragsproblemen en een lager IQ vroeger in de
puberteit komen, onafhankelijk van hun sociaal-economische
achtergrond. Vooral bij de biologische ontwikkeling is van belang
dat er een verschil bestaat tussen de kalenderleeftijd en de
ontwikkelingsleeftijd. Ook de psychosociale ontwikkeling heeft vaak
niet zo'n duidelijke relatie met kalenderleeftijd, maar eerder met de
biologische ontwikkelingsleeftijd.
, 3.3 Hormonale veranderingen en de ontwikkeling van de primaire
en secundaire geslachtskenmerken
De differentiatie tussen de seksen vindt in feite al plaats vlak na de
conceptie onder invloed van de aan- of afwezigheid van het Y-
chromosoom. Dit chromosoom is verantwoordelijk voor de
productie van verschillende mannelijke geslachtshormonen
(androgenen) die op hun beurt de vorming van de mannelijke
gonaden (testes) stimuleren. Afwezigheid van het Y-chromosoom
leidt tot de vorming van vrouwelijke gonaden (ovaria). De
adrenarche, een gestage toename van de afgifte van androgenen
door de bijnieren, begint al op 6- tot 8-jarige leeftijd en zorgt voor
de eerste veranderingen, zoals toegenomen groei en
ontwikkelingvan pubishaar. De uiteindelijke puberteit wordt in gang
gezet vanuit een aantal hersenkernen die tezamen de
hypothalamus vormen. De hypothalamus zorgt voor een toename
van de afgifte van gonadotropinreleasing hormoon (GnRH). Dit
hormoon stimuleert de hypofyse (een structuur onderaan de
hersenen) tot afgifte van follikel stimulerend hormoon (FSH) en
luteïniserend hormoon (LH). Uiteindelijk zorgen deze stoffen voor
3.1 Inleiding
In de adolescentie laat het lichaam - duidelijker dan in de kindertijd
- de kenmerken van de eigen sekse zien. De biologische
ontwikkeling betreft de verandering in hormoonhuishouding
(puberteit) en de ontwikkelingvan de hersenen in deze periode. De
lichamelijke veranderingen als gevolg van hormonale
veranderingen en de rijping van de hersenen hebben op hun beurt
hun weerslag op het psychisch functioneren.
3.2 Kinderen komen in de puberteit
De meeste lichamelijke veranderingen treden vroeg in de
adolescentie op. De menarche(de eerste menstruatie)
respectievelijk de spermarche (het vermogen sperma te
produceren) wordt vaak als ijkpunt beschouwd voor het begin van
de puberteit. De menarche treedt in tussen het negende en het
zestiende jaar; de spermarche tussen het tiende en het
negentiende jaar. De leeftijd waarop jongeren geslachtsrijp worden,
is in de vorige eeuw met ongeveer twee jaar afgenomen dankzij
verbeterde voeding en een sterk toegenomen hygiëne en controle
van infectieziekten. Als er al verschillen bestaan tussen etnische
groepen, dan hebben deze eerder te maken met sociaal-
economische standaards dan met de etniciteit zelf. De aanvang van
de puberteit verschilt sterk. Een en ander lijkt af te hangen van
erfelijke factoren, maar ook van voedingstoestand en stress, en van
de mate waarin het lichaam wordt getraind. Het vervroegen van de
puberteit lijkt daarbij gerelateerd te zijn aan een toename van het
aantal jongeren met overgewicht, met name bij meisjes Daarnaast
zijn er aanwijzingen dat ook meisjes met psychische problemen,
depressies, gedragsproblemen en een lager IQ vroeger in de
puberteit komen, onafhankelijk van hun sociaal-economische
achtergrond. Vooral bij de biologische ontwikkeling is van belang
dat er een verschil bestaat tussen de kalenderleeftijd en de
ontwikkelingsleeftijd. Ook de psychosociale ontwikkeling heeft vaak
niet zo'n duidelijke relatie met kalenderleeftijd, maar eerder met de
biologische ontwikkelingsleeftijd.
, 3.3 Hormonale veranderingen en de ontwikkeling van de primaire
en secundaire geslachtskenmerken
De differentiatie tussen de seksen vindt in feite al plaats vlak na de
conceptie onder invloed van de aan- of afwezigheid van het Y-
chromosoom. Dit chromosoom is verantwoordelijk voor de
productie van verschillende mannelijke geslachtshormonen
(androgenen) die op hun beurt de vorming van de mannelijke
gonaden (testes) stimuleren. Afwezigheid van het Y-chromosoom
leidt tot de vorming van vrouwelijke gonaden (ovaria). De
adrenarche, een gestage toename van de afgifte van androgenen
door de bijnieren, begint al op 6- tot 8-jarige leeftijd en zorgt voor
de eerste veranderingen, zoals toegenomen groei en
ontwikkelingvan pubishaar. De uiteindelijke puberteit wordt in gang
gezet vanuit een aantal hersenkernen die tezamen de
hypothalamus vormen. De hypothalamus zorgt voor een toename
van de afgifte van gonadotropinreleasing hormoon (GnRH). Dit
hormoon stimuleert de hypofyse (een structuur onderaan de
hersenen) tot afgifte van follikel stimulerend hormoon (FSH) en
luteïniserend hormoon (LH). Uiteindelijk zorgen deze stoffen voor