Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Overig

156 Meerkeuze Oefenvragen voor Biologische Psychologie (met extra toelichting bij de antwoorden)

Beoordeling
3.0
(1)
Verkocht
21
Pagina's
32
Geüpload op
26-11-2022
Geschreven in
2022/2023

Dit zijn 156 meerkeuze-oefenvragen voor het tweedejaars Psychologie vak "Biologische Psychologie" aan de universiteit van Tilburg. De vragen zijn gebaseerd op het boek "Psychobiology" van Chris Chandler (2015) en de samenvatting van AthenaStudies van . De vragen zijn zowel algemeen als specifiek en behandelen vrijwel de hele stof. Ik heb elk deel van mijn eigen aantekeningen meegenomen in de vragen, deels verwerkt in de vragen en antwoordopties, en deels nog toegevoegd als extra informatie bij de antwoorden. De vragen zijn verdeeld in de verschillende onderwerpen, zoals behandeld in de hoorcolleges: Genetica & Evolutie; Neuronen, endocriene systeem en communicatie; Neurale ontwikkeling; Immuniteit; Persoonlijkheid; Hart en brein; Sociale interactie; Affectieve stoornissen /Depressie; Homeostase; Psychofarmacologie; Stress en angst; Seks; Emoties. De vragen hebben 3 of 4 keuze-antwoorden, dit verschilt per vraag. Bij bijna alle antwoorden staat extra toelichting over waarom de andere antwoorden fout zijn, of extra informatie over het onderwerp. Als er bij de vraag geen extra toelichting is toegevoegd, is dat omdat dat niet nodig was (bijvoorbeeld als er gevraagd wordt welke uitspraak niet waar is, dan zijn de andere antwoorden automatisch wel waar).

Meer zien Lees minder
Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Oefenvragen Biologische psychologie



Oefenvragen Biologische
psychologie
Genetica & evolutie
1 Wat is niet waar over meiose en mitose?

a. Meiose stopt als het organisme klaar is met groeien, mitose stopt als alle geslachtscellen zijn gevormd.
b. Meiose is de celdeling en vorming van gameten, mitose is de celdeling van alle andere chromosomen.
c. Bij mitose vindt er meestal geen crossing over plaats.

2 Wat zijn kwantitatieve eigenschappen?

a. Eigenschappen beïnvloed door een enkel gen, waarvan het fenotype ofwel bestaat of niet bestaat
b. Eigenschappen beïnvloed door een enkel gen, waarvan het fenotype zich uitdrukt langs een continuüm
c. Eigenschappen beïnvloed door meerdere genen, waarvan het fenotype ofwel bestaat of niet bestaat
d. Eigenschappen beïnvloed door meerdere genen, waarvan het fenotype zich uitdrukt langs een continuüm

3 Wat is het geval bij mosaïcisme?

a. De iris bevat meerdere kleuren
b. Vertraagde cognitieve ontwikkeling door de aanwezigheid van een recessief allel
c. Niet alle lichaamscellen zijn genetisch identiek

4 “Tijdens zijn ontwikkeling gaat elk organisme gaat door de verschillende fasen van zijn evolutionaire verleden”
Wat is de naam voor deze theorie?

a. Ontogenie recapituleert fylogenietheorie (Haeckel)
b. Integratief model van gedragsontwikkeling (Johnston & Edwards)
c. Pre-creationisme

5 Twee uitspraken zijn:

I Tijdens transcriptie verwijdert mRNA de introns uit de kopie van het DNA.
II Tijdens translatie haalt mRNA aminozuren uit het cytoplasma, op instructie van ribosomen.

Wat is waar?

a. I is juist en II is onjuist
b. II is juist en I is onjuist
c. I en II zijn beide juist
d. I en II zijn beide onjuist

6 Aan welk koolstofatoom is de base verbonden in een nucleotide?

a. 1’
b. 5’
c. 3’

7 Tijdens een ___I___ worden er delen van chromosomen gewisseld tussen 2 chromosomen, in het geval van ___II___
worden delen van het chromosoom een halve slag gedraaid.
Welke is juist?

a. I = translocatie, II = single nucleotide polymorphism (SNP)
b. I = translocatie, II = inversie
c. I = mutatie, II = single nucleotide polymorphism (SNP)

8 Op welke categorieën wordt DNA gesorteerd en hoe gebeurt dit?

a. Op basis van grootte en elektrische lading.
Eerst wordt DNA verdubbeld in een polymerase chain reaction en daarna wordt het door middel van
elektroforese gescheiden, via een agarose gel blok met een plus en min lading.

,Oefenvragen Biologische psychologie

b. Op basis van grootte en dichtheid.
Dit gaat via een polymerase chain reaction (PCR) waarin DNA heel vaak wordt verdubbeld en daarna gaat het
door een deeltjesversneller, waar de moleculen met een grotere dichtheid langzamer doorheen gaan.
c. Op basis van dichtheid en elektrische lading.
In een polymerase chain reaction wordt het DNA vaak verdubbeld. Daarna wordt het gescheiden door middel
van elektroforese, waarbij er eerst gebruik wordt gemaakt van een agarose gel blok met een plus en min lading,
en vervolgens worden d.m.v. een deeltjesversneller de moleculen gesorteerd op dichtheid.

Neuronen, endocriene systeem en communicatie
9 Uit welke elementen is een cel opgebouwd?

a. Waterstof (hydrogen), zuurstof (oxygen), kalium (potassium) en natrium (sodium)
b. Koolstof (carbon), waterstof (hydrogen), zuurstof (oxygen), kalium (potassium) en natrium (sodium)
c. Zuurstof (oxygen), koolstof (koolstof), natrium (sodium) en kalium (potassium)

10 Op wat voor manier beïnvloed ouderdom het mitochondria?

a. Het mitochondriaal membraan wordt stugger en dit beperkt de flexibiliteit van het organel.
b. Er komen steeds meer somatische mutaties in het mitochondriaal DNA, dit zorgt voor functionele achteruitgang.
c. Er wordt minder ATP aangemaakt waardoor het lichaam met minder energie wordt aangedreven.

11 Wat is waar?

a. Gliacellen ondersteunen neuronen in het CNS en PNS.
b. Satellietcellen ondersteunen neuronen in het CNS.
c. Gliacellen ondersteunen neuronen in het CNS.

12 Myelinescheden hebben verschillende functies. Welke van de volgende is daar niet een van?

a. Afscheiden van hersenvocht (cerebrospinal fluid; CBF)
b. Versnellen van geleiding
c. Voorziet de zenuwbaan van voedingsstoffen
d. Bescherming van neuronen tegen schade

13 Er zijn verschillende soorten gliacellen. Welke gliacellen vormen de bloed-hersenbarrière?

a. Microglia
b. Astrocyten
c. Schwann cellen

14 Welke gliacellen spelen een rol in het herstel van axonen in het PNS?

a. Oligodendrocyten
b. Schwann cellen
c. Axonen in het PNS kunnen niet hersteld worden.

15 Welk type neuron komt niet in mensen voor?

a. Pseudo-unipolaire neuronen
b. Multipolaire neuronen
c. Unipolaire/monopolaire neuronen

16 Welk type neuronen heeft meer dan 1 axon en geen dendrieten?

a. Multipolaire neuronen
b. Bipolaire neuronen
c. Pseudo-unipolaire neuronen

17 Wat is de functie van neurofilamenten?

a. Transporteren van axonale materialen en voor het cytoskelet
b. Voor het bieden van structurele steun van het neuron
c. Transporteren van macromoleculen naar de axonheuvel voor neurale communicatie

18 Wat is niet een manier waarop ionen in en uit de cel gaan?

,Oefenvragen Biologische psychologie

a. Diffusie langs de concentratiegradiënt
b. Exocytose
c. Elektrostatische druk

19 Tijdens welke fase van een actiepotentiaal is de relatief refractaire periode?

a. Depolarisatie
b. Repolarisatie
c. Hyperpolarisatie

20 Autoreceptoren ontvangen neurotransmitters van ___I___ en reguleren de transmissie van ___II___.
Wat is juist?

a. I = hun eigen presynaptische cel; II = de postsynaptische cel
b. I = hun eigen presynaptische cel; I = hun eigen presynaptische cel
c. I = een presynaptische cel in de buurt; II = hun eigen presynaptische cel

21 Via welke vorm van endocytose worden vaste stoffen de cel ingebracht via internalisatie (ofwel het celmembraan
slokt de deeltjes op)

a. Full fusion
b. Pinocytose
c. Fagocytose
d. Kiss-and-run-fusion

22 Wat is waar?

a. Glutamaat is een exciterende neurotransmitter, wat betekent dat het een remmende functie heeft.
b. Glutamaat is een inhiberende neurotransmitter, wat betekent dat het een remmende functie heeft.
c. GABA is een exciterende neurotransmitter, wat betekent dat het een remmende functie heeft.
d. GABA is een inhiberende neurotransmitter, wat betekent dat het een remmende functie heeft.

23 Acetylcholine, dopamine, serotonine en GABA zijn voorbeelden van ___I___; endorphine en enkefaline zijn
voorbeelden van ___II___.

a. I = kleine molecuul transmitters, II = peptide neurotransmitters
b. I = peptide neurotransmitters, II = neuropeptides
c. I = peptide neurotransmitters, II = kleine molecuul transmitters

24 Welke van de volgende neurotransmitters zijn exciterend, en welke inhiberend?
Acetylcholine, endorfine, histamine, dopamine , serotonine (5-HT), glutamaat, adrenaline, noradrenaline

a. Exciterend: adrenaline, serotonine (5-HT), glutamaat, dopamine
Inhiberend: noradrenaline, histamine, acetylcholine, endorfine, dopamine
b. Exciterend: acetylcholine, histamine, noradrenaline, dopamine, glutamaat, adrenaline
Inhiberend: endorfine, serotonine (5-HT), dopamine
c. Exciterend: dopamine, histamine, serotonine (5-HT), adrenaline
Inhiberend: acetylcholine, endorfine, dopamine, glutamaat, noradrenaline
d. Exciterend: histamine, endorfine, acetylcholine, dopamine, noradrenaline
Inhiberend: dopamine, serotonine (5-HT), glutamaat, adrenaline

25 Hoe noem je deze vorm van endocytose?




a. Pinocytose
b. Full fusion
c. Receptor-mediated endocytose

, Oefenvragen Biologische psychologie

26 Er zijn verschillende categorieën van dopaminerge receptoren: D1-achtigen en D2-achtigen. Welke is waar van de
volgende vier uitspraken?

I De D1-achtige familie is ionotroop en de D2-achtige familie is metabotroop.
II De D1-achtige familie is metabootroop en de D1-achtige familie is ionotroop.
III Bij ionotrope receptoren bindt er een transmittor aan de receptor en de receptor laat ionen door.
IV Bij metabotrope receptoren bindt er een transmittor aan de receptor en de receptor laat ionen door.

a. Uitspraak I en III zijn juist
b. Uitspraak II en III zijn juist
c. Uitspraak I en IV zijn juist
d. Uitspraak II en IV zijn juist

27 Communicatie vanuit het postsynaptisch neuron naar het presynaptisch neuron heet retrograde signalling, dit
wordt gedaan om transmitter afgifte te inhiberen. Er zijn verschillende soorten signalen die zo kunnen worden
afgegeven. Hoe werken membraangebonden factoren (membrane-bound factors)?

a. Signalen gaan via gassen die door het membraan heen kunnen.
b. Signalen gaan via de connectie die gevormd wordt door de fysieke link tussen de post- en presynaptische
membranen.
c. Signalen gaan via neurotransmitters die vanuit het postsynaptische neuron worden vrijgegeven en worden
opgenomen in het presynaptische neuron.

28 Wat is niet een correct verschil tussen hormonen en neurotransmitters?

a. Hormonen brengen signalen over via klieren in de bloedbaan, neurotransmitters brengen signalen over via
zenuwen.
b. Neurotransmitters werken over langere afstanden dan hormonen.
c. Communicatie van neurotransmitters verloopt vele malen sneller dan van hormonen.

Vraag 29 heeft te maken met vraag 26, dus maak eerst vraag 26.

29 Een metabotrope receptor werkt als volgt:

1) Neurotransmitter bindt aan metabotrope receptor.
2) G-eiwit splitst in GTP en GDP sub eenheden.
3) ___I___.
4) Second messengers worden gegenereerd door ___II___.
5) ___III___ activeert ionkanaal.

Wat moet er staan bij I, II en III?

a. I = Enzym activeert GTP en GDP sub eenheden, II = GTP en GDP sub eenheden, III = Second messenger
b. I = G-eiwit activeert een enzym, II = GTP en GDP sub eenheden, III = Second messenger
c. I = GTP en GDP sub eenheden activeren een enzym, II = enzym, III = Second messenger
d. I = Enzym activeert GTP en GDP sub eenheden, II = enzym, III = Second messenger

30 Catecholamines, indolamines en schildklierhormonen zijn subtypen van ___I___, en steroïde hormonen is een
subtype van ___II___.

a. I = aminozuurhormonen, II = lipiden
b. I = peptiden, II = lipiden
c. I = aminozuurhormonen, II = peptiden

31 Van welke soort hormonen zijn dopamine, adrenaline en noradrenaline voorbeelden?

a. Grote peptide hormonen
b. Catecholamines
c. Kleine peptide hormonen
d. Indolamines

32 Wat is de functie van het adrenocorticotrope hormoon (ACTH) en door welke klier wordt deze afgegeven?

a. Stimuleren van weefselgroei; afgegeven door de voorkwab van de hypofyse (pituitary gland).
b. Stimuleren van afgifte van TSH; afgegeven door de hypothalamus

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
26 november 2022
Aantal pagina's
32
Geschreven in
2022/2023
Type
OVERIG
Persoon
Onbekend

Onderwerpen

$8.39
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Beoordelingen van geverifieerde kopers

Alle reviews worden weergegeven
7 maanden geleden

veel van het stof dat hier wordt besproken is niet meer relevant in 2025, aangezien dit een oudere vragenblad is. meerdere gedeeltes die hierin staan, worden niet meer in de syllabus besproken, zowel als sommige theorieën. de toelichting bij de vragen is wel goed, dus als je de stof die je niet hoeft te kennen overslaat, zul je wel ver komen.

3.0

1 beoordelingen

5
0
4
0
3
1
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
jikkevangool Tilburg University
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
331
Lid sinds
4 jaar
Aantal volgers
126
Documenten
13
Laatst verkocht
5 dagen geleden

4.4

19 beoordelingen

5
10
4
6
3
3
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen