Paragraaf 5.1 Het atoommodel
Atomen
De meeste stoffen bestaan uit moleculen of uit losse atomen (metalen).
Moleculen zijn ook opgebouwd uit atomen.
Er zijn 118 atoomsoorten (elementen) bekend, waarvan er 94 in de natuur voorkomen.
Alle atoomsoorten zijn geordend in het periodiek systeem van de elementen.
Atomen bestaan uit nog kleinere deeltjes.
Elk atoom heeft een kern met protonen, neutronen en om deze atoomkern bewegen
elektronen:
Proton heeft een positieve lading die even groot is als de negatieve lading van het
elektron.
Het aantal protonen in de kern bepaalt de atoomsoort en daarmee de plaats
van het atoom in het periodiek systeem.
Neutron heeft geen lading.
Een proton en neutron hebben een ongeveer even grote massa.
Elektron is negatief geladen en speelt een rol bij elektriciteit en bij de binding
tussen atomen.
Elektronen hebben een zeer kleine massa, die ongeveer 1800 keer zo klein is
als de massa van een proton of neutron.
Atoomnummer en massagetal
Het aantal protonen in de kern bepaalt de atoomsoort en het atoomnummer.
De massa van het atoom wordt vrijwel volledig bepaald door de massa van de kern dus
door het aantal protonen en neutronen.
Massagetal: de som van het aantal protonen en het aantal neutronen.
Isotopen
Van elk atoomsoort komen meerdere varianten voor, waarbij het aantal neutronen verschilt.
Isotopen: atoomkernen met hetzelfde aantal protonen maar een ander aantal neutronen.
Isotopen hebben dezelfde chemische eigenschappen en verschillen alleen in massa.
Atoommassa
Omdat de massa van een atoom erg klein is, gebruik je een aparte eenheid voor de
atoommassa de atomaire massaeenheid, u.
1 u is gelijk aan 1,66 x 10^-27 kg.
De afgeronde waarde van de atoommassa is altijd gelijk aan het massagetal.
Atomen
De meeste stoffen bestaan uit moleculen of uit losse atomen (metalen).
Moleculen zijn ook opgebouwd uit atomen.
Er zijn 118 atoomsoorten (elementen) bekend, waarvan er 94 in de natuur voorkomen.
Alle atoomsoorten zijn geordend in het periodiek systeem van de elementen.
Atomen bestaan uit nog kleinere deeltjes.
Elk atoom heeft een kern met protonen, neutronen en om deze atoomkern bewegen
elektronen:
Proton heeft een positieve lading die even groot is als de negatieve lading van het
elektron.
Het aantal protonen in de kern bepaalt de atoomsoort en daarmee de plaats
van het atoom in het periodiek systeem.
Neutron heeft geen lading.
Een proton en neutron hebben een ongeveer even grote massa.
Elektron is negatief geladen en speelt een rol bij elektriciteit en bij de binding
tussen atomen.
Elektronen hebben een zeer kleine massa, die ongeveer 1800 keer zo klein is
als de massa van een proton of neutron.
Atoomnummer en massagetal
Het aantal protonen in de kern bepaalt de atoomsoort en het atoomnummer.
De massa van het atoom wordt vrijwel volledig bepaald door de massa van de kern dus
door het aantal protonen en neutronen.
Massagetal: de som van het aantal protonen en het aantal neutronen.
Isotopen
Van elk atoomsoort komen meerdere varianten voor, waarbij het aantal neutronen verschilt.
Isotopen: atoomkernen met hetzelfde aantal protonen maar een ander aantal neutronen.
Isotopen hebben dezelfde chemische eigenschappen en verschillen alleen in massa.
Atoommassa
Omdat de massa van een atoom erg klein is, gebruik je een aparte eenheid voor de
atoommassa de atomaire massaeenheid, u.
1 u is gelijk aan 1,66 x 10^-27 kg.
De afgeronde waarde van de atoommassa is altijd gelijk aan het massagetal.