Paragraaf 5.1 Verschillen tussen mensen
Uniek
De eigenschappen die ons tot mensen maken, hebben hun basis in het DNA in de chromosomen
niet iedereen heeft dezelfde eigenschappen.
DNA: moleculen, opgebouwd uit nucleotiden, die de bouwinstructies bevatten om eiwitten te maken.
Chromosomen: stukjes DNA.
Hoe je eruitziet, bepaalt niet alleen je DNA, ook het milieu en de leefstijl spelen een rol.
Jouw combinatie van eigenschappen vormt een uniek wezen jij.
Fenotype: door omstandigheden en genotype
Fenotype (FT): alle waarneembare eigenschappen en alle eigenschappen die te maken hebben met
het functioneren van je lichaam.
Genotype (GT): de erfelijke informatie van een organisme, opgeslagen in zijn chromosomen.
Genen zijn stukjes DNA met de code voor een eiwit samen met de rest van het DNA en het DNA in
je mitochondriën vormen ze jouw genoom bestaat uit heel veel basen: A, C, G en T.
Genoom: de volledige erfelijke informatie van een organisme (in het DNA in de kern en het DNA in de
mitochondriën en bij planten ook in de chloroplasten).
Bij sommige eigenschappen bepaalt uitsluitend het genotype de eigenschap zoals bij je
bloedgroep.
Op andere eigenschappen hebben ook de omstandigheden of leefstijl invloed.
Bepaalde eigenschappen veranderen tijdens je leven sommige kun je oplossen (haarkleur,
gezichtsvermogen) met andere veranderingen moet je leren leven.
Variatie
Je genoom ligt vooral vast in de 23 paar chromosomen van je lichaamscellen.
Het DNA in je chromosomen bevat bijvoorbeeld genen voor bloedeiwitten en enzymen.
Ieder mens heeft een eigen genoom, met ook grote overeenkomsten met andere mensen.
Mutaties door bepaalde stoffen, straling en zelfs de eigen lichaamswarmte leiden tot veranderingen
in het DNA en tot variatie in genotypen.
Mutatie: wijzigingen in de nucleotidevolgorde van het DNA; dit kan een verandering in een gen
veroorzaken.
Allel: variant van een gen.
Van elk gen komen allelen voor.
Haplotype: de combinatie waarin de allelen samen op één chromosoom voorkomen.
Gezien de variatie aan allelen bestaat van ieder chromosoom een groot aantal haplotypen
, Bij de bevruchting heb je zowel van je vader als van je moeder een compleet set chromosomen
gekregen daardoor heb je alle chromosomen in paren, met op elk chromosoom van een paar een
eigen combinatie aan allelen een eigen haplotype.
Paragraaf 5.2 Chromosomen bekijken
Chromosomenportret
Kernen van normale menselijke cellen bevatten 23 paar chromosomen die zijn, op het X- en Y-
chromosoom bij een man na, twee aan twee gelijk van vorm en grootte en vormen paren homologe
chromosomen.
Homologe chromosomen: chromosomen die twee aan elkaar gelijk zijn en informatie bevatten over
dezelfde onderwerpen.
Onderling verschillen alle paren in grootte en plaats van het centromeer die plaats varieert van in
het midden tot bijna aan het uiteinde.
Door kleurstoffen ontstaat een uniek bandenpatroon voor ieder paar dat maakt identificatie
eenvoudiger.
Vaak gebruiken analisten voor hun onderzoek foto’s van chromosomen uit de metafase van de
mitose in de metafase zijn de chromosomen verdubbeld.
De analist bepaalt het karyotype door de chromosomen bijeen te plaatsen in een karyogram.
Karyotype: een weergave van het aantal chromosomen in een kern, bijvoorbeeld 46,XY of 47, XX,+21.
Karyogram: chromosomenportret.
Het langste chromosomenpaar komt vooraan chromosomenpaar 1 daarna volgen
chromosomenparen 2 tot 22.
De eerste 22 paar zijn de autosomen het 23e paar is anders dat zijn de geslachtschromosomen.
Autosomen: alle chromosomen, behalve de geslachtschromosomen X en Y.
Geslachtschromosomen: het X- en Y-chromosoom; aan de combinatie is het biologisch geslacht te
zien. Bij de mens heeft een vrouw XX en een man XY.
Een X-chromosoom bevat, net als de autosomen, informatie over tal van eigenschappen.
Het Y-chromosoom bevat slechts een vijftigtal genen één is het SRY-gen.
SRY-gen: een gen op het Y-chromosoom dat de ontwikkeling van het embryo in de mannelijke
richting stuurt.
Bij meisjes ontbreekt het SRY-gen en ontwikkelen de geslachtsorganen zich tot vagina, baarmoeder
en eierstokken.
Karyotype man 46, XY en karytype vrouw 46,XX.
Uniek
De eigenschappen die ons tot mensen maken, hebben hun basis in het DNA in de chromosomen
niet iedereen heeft dezelfde eigenschappen.
DNA: moleculen, opgebouwd uit nucleotiden, die de bouwinstructies bevatten om eiwitten te maken.
Chromosomen: stukjes DNA.
Hoe je eruitziet, bepaalt niet alleen je DNA, ook het milieu en de leefstijl spelen een rol.
Jouw combinatie van eigenschappen vormt een uniek wezen jij.
Fenotype: door omstandigheden en genotype
Fenotype (FT): alle waarneembare eigenschappen en alle eigenschappen die te maken hebben met
het functioneren van je lichaam.
Genotype (GT): de erfelijke informatie van een organisme, opgeslagen in zijn chromosomen.
Genen zijn stukjes DNA met de code voor een eiwit samen met de rest van het DNA en het DNA in
je mitochondriën vormen ze jouw genoom bestaat uit heel veel basen: A, C, G en T.
Genoom: de volledige erfelijke informatie van een organisme (in het DNA in de kern en het DNA in de
mitochondriën en bij planten ook in de chloroplasten).
Bij sommige eigenschappen bepaalt uitsluitend het genotype de eigenschap zoals bij je
bloedgroep.
Op andere eigenschappen hebben ook de omstandigheden of leefstijl invloed.
Bepaalde eigenschappen veranderen tijdens je leven sommige kun je oplossen (haarkleur,
gezichtsvermogen) met andere veranderingen moet je leren leven.
Variatie
Je genoom ligt vooral vast in de 23 paar chromosomen van je lichaamscellen.
Het DNA in je chromosomen bevat bijvoorbeeld genen voor bloedeiwitten en enzymen.
Ieder mens heeft een eigen genoom, met ook grote overeenkomsten met andere mensen.
Mutaties door bepaalde stoffen, straling en zelfs de eigen lichaamswarmte leiden tot veranderingen
in het DNA en tot variatie in genotypen.
Mutatie: wijzigingen in de nucleotidevolgorde van het DNA; dit kan een verandering in een gen
veroorzaken.
Allel: variant van een gen.
Van elk gen komen allelen voor.
Haplotype: de combinatie waarin de allelen samen op één chromosoom voorkomen.
Gezien de variatie aan allelen bestaat van ieder chromosoom een groot aantal haplotypen
, Bij de bevruchting heb je zowel van je vader als van je moeder een compleet set chromosomen
gekregen daardoor heb je alle chromosomen in paren, met op elk chromosoom van een paar een
eigen combinatie aan allelen een eigen haplotype.
Paragraaf 5.2 Chromosomen bekijken
Chromosomenportret
Kernen van normale menselijke cellen bevatten 23 paar chromosomen die zijn, op het X- en Y-
chromosoom bij een man na, twee aan twee gelijk van vorm en grootte en vormen paren homologe
chromosomen.
Homologe chromosomen: chromosomen die twee aan elkaar gelijk zijn en informatie bevatten over
dezelfde onderwerpen.
Onderling verschillen alle paren in grootte en plaats van het centromeer die plaats varieert van in
het midden tot bijna aan het uiteinde.
Door kleurstoffen ontstaat een uniek bandenpatroon voor ieder paar dat maakt identificatie
eenvoudiger.
Vaak gebruiken analisten voor hun onderzoek foto’s van chromosomen uit de metafase van de
mitose in de metafase zijn de chromosomen verdubbeld.
De analist bepaalt het karyotype door de chromosomen bijeen te plaatsen in een karyogram.
Karyotype: een weergave van het aantal chromosomen in een kern, bijvoorbeeld 46,XY of 47, XX,+21.
Karyogram: chromosomenportret.
Het langste chromosomenpaar komt vooraan chromosomenpaar 1 daarna volgen
chromosomenparen 2 tot 22.
De eerste 22 paar zijn de autosomen het 23e paar is anders dat zijn de geslachtschromosomen.
Autosomen: alle chromosomen, behalve de geslachtschromosomen X en Y.
Geslachtschromosomen: het X- en Y-chromosoom; aan de combinatie is het biologisch geslacht te
zien. Bij de mens heeft een vrouw XX en een man XY.
Een X-chromosoom bevat, net als de autosomen, informatie over tal van eigenschappen.
Het Y-chromosoom bevat slechts een vijftigtal genen één is het SRY-gen.
SRY-gen: een gen op het Y-chromosoom dat de ontwikkeling van het embryo in de mannelijke
richting stuurt.
Bij meisjes ontbreekt het SRY-gen en ontwikkelen de geslachtsorganen zich tot vagina, baarmoeder
en eierstokken.
Karyotype man 46, XY en karytype vrouw 46,XX.