Uitleg zinsdelen
Onderwerp
Het onderwerp vind je door te vragen: wie/wat + persoonsvorm + lijdend voorwerp?
Voorbeeld: Roos heeft ruzie met Karin.
Door te vragen wie of wat er ruzie heeft, kom je erachter dat Roos het onderwerp is.
Let op: het onderwerp hoeft niet altijd vooraan in de zin te staan.
Voorbeeld: Tegen Karin deed Roos heel vervelend.
Persoonsvorm
De persoonsvorm en het onderwerp zijn met elkaar verbonden. Als je de zin vragend maakt,
staat de persoonsvorm vooraan. Als je de zin in een andere tijd zet, verandert de
persoonsvorm mee.
Voorbeeld: Roos heeft ruzie met Karin.
Let op: in een samengestelde zin zijn er twee persoonsvormen.
Voorbeeld: De huisarts vond dat ik eerder had moeten bellen.
Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp is hetgeen wat iets ondergaat. Je vindt het door te vragen: wie/wat +
persoonsvorm + onderwerp?
Voorbeeld: Roos heeft ruzie met Karin.
(Werkwoordelijk) gezegde
Het gezegde bestaat uit alle werkwoorden in een zin, inclusief de persoonsvorm.
Voorbeeld: De huisarts vond dat ik eerder had moeten bellen.
Omdat de zin hierboven een samengestelde zin is zijn er twee gezegdes: Vond en had
moeten bellen.
Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven, lijken,
blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen) en een naamwoordelijk deel (een eigenschap
van het onderwerp). In het voorbeeld is het koppelwerkwoord onderstreept en het
naamwoordelijk deel schuin gedrukt.
Voorbeeld: Karin is verdrietig.
Onderwerp
Het onderwerp vind je door te vragen: wie/wat + persoonsvorm + lijdend voorwerp?
Voorbeeld: Roos heeft ruzie met Karin.
Door te vragen wie of wat er ruzie heeft, kom je erachter dat Roos het onderwerp is.
Let op: het onderwerp hoeft niet altijd vooraan in de zin te staan.
Voorbeeld: Tegen Karin deed Roos heel vervelend.
Persoonsvorm
De persoonsvorm en het onderwerp zijn met elkaar verbonden. Als je de zin vragend maakt,
staat de persoonsvorm vooraan. Als je de zin in een andere tijd zet, verandert de
persoonsvorm mee.
Voorbeeld: Roos heeft ruzie met Karin.
Let op: in een samengestelde zin zijn er twee persoonsvormen.
Voorbeeld: De huisarts vond dat ik eerder had moeten bellen.
Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp is hetgeen wat iets ondergaat. Je vindt het door te vragen: wie/wat +
persoonsvorm + onderwerp?
Voorbeeld: Roos heeft ruzie met Karin.
(Werkwoordelijk) gezegde
Het gezegde bestaat uit alle werkwoorden in een zin, inclusief de persoonsvorm.
Voorbeeld: De huisarts vond dat ik eerder had moeten bellen.
Omdat de zin hierboven een samengestelde zin is zijn er twee gezegdes: Vond en had
moeten bellen.
Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven, lijken,
blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen) en een naamwoordelijk deel (een eigenschap
van het onderwerp). In het voorbeeld is het koppelwerkwoord onderstreept en het
naamwoordelijk deel schuin gedrukt.
Voorbeeld: Karin is verdrietig.