Hoofdstuk 1 Foundations for the study of Psychology
Drie fundamentele ideeën
1. Lichamelijke oorzaak van gedrag
2. Rol van ervaring
3. Rol van natuurlijke selectie
Dualisme: lichaam is materiaal, ziel is immaterieel
René Descartes / Cartesiaans dualisme: Pijnappelklier (hersenen) plek van de ziel
Reflexologie: vrijwillige handelingen zijn ook complexe reflexen
Thomas Hobbes: alles is materieel; materialisme
Gebied van Broca: bij schade aan dit gebied (linker hersenhelft) wordt spraak beperkt, maar
geen andere vaardigheden.
Empirisme: kennis en cognitie komen voort uit zintuiglijke ervaring
De mens wordt geboren als een tabula rasa
Nativisme: gedrag is aangeboren
A posteriori: kennis uit ervaring
A priori: kennis is ingebouwd in het brein
Immanuel Kant
Natuurlijke selectie; Charles Darwin
soorten evolueren over generaties
Filosofen:
René Descartes: Psychologie mag: ook complex gedrag wordt door het lichaam
veroorzaakt. Alleen ‘denken’ onttrekt zich aan onderzoek: dualisme
Thomas Hobbes: Geest is betekenisloos concept: alle gedrag gevolg van fysische
processen: materialisme
John Locke: Kennis komt uitsluitend voort uit zintuiglijke ervaring: empirisme
Immanuel Kant: A priori kennis (in brein ingebouwd) en a posteriori kennis (ervaring).
Nadruk op a priori: nativisme
Charles Darwin: Menselijk gedrag is ontstaan in de loop van de evolutie. Natuurlijke selectie.
Later: functionalisme
Paul Broca: Delen van het brein zijn gespecialiseerd. Gebied van Broca. Ook: onze bewuste
waarneming wordt bepaald door de plaats van activatie in ons brein
,Wilhelm Wundt: Mentale processen zijn te meten. Eerste leerboek, eerste laboratorium
Verschillende perspectieven psychologie
1. Neuraal (hersenen als oorzaak)
2. Fysiologisch (hormonen, neurotransmitters)
3. Genetisch (genen)
4. Evolutionair (natuurlijke selectie)
5. Leren (individuele ervaring)
6. Cognitief (kennis / geloof van individu)
7. Sociaal (invloed andere mensen)
8. Cultureel (culturele achtergrond)
Hoofdstuk 2 Methods of Psychology
Pseudowetenschap= Fenomenen of disciplines die pretenderen wetenschappelijk te zijn
Het observer-expectancy effect / waarnemers verwachtingseffect: ongewenste beïnvloeding
van het resultaat door de onderzoeker
Bijvoorbeeld klappen als publiek als het paard het juiste antwoord geeft
Hawthorne- effect: het gedrag van proefpersonen kan veranderen als gevolg van de
wetenschap dat ze in de gaten worden gehouden.
Het subject-expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de
proefpersoon. Bijvoorbeeld; placebo
Ideomotor effect: zeer kleine, onbewuste (hand)bewegingen van facilitator zijn al voldoende
om hand te sturen
Onderzoek: verschillende soorten therapieën proberen
Therapie: onafhankelijke variabele
Depressie: afhankelijke variabele
Within-subject experiment: één proefpersoon loopt alle verschillende omstandigheden door
Hoofdstuk 3 Genetica, evolutie en neurale controle van gedrag
Genen: bestanddelen van DNA. Onderdeel van chromosomen
DNA: bevat 23 chromosomen, verantwoordelijk voor genetisch overdracht
RNA: sjabloon voor de productie eiwitten
, Twee soorten genen:
Coderende genen: zorgen dat de juiste soort eiwit wordt geproduceerd waarmee onderdelen
van het lichaam kunnen worden gebouwd
Regulerende genen: helpen coderende genen te activeren of onderdrukken. 80% van genen
zijn regulerend
Structurele eiwitten: vormen de structuur van elke lichaamscel
Enzymen: regelen de snelheid van elke chemische reactie in een cel
Genotype: genen die je erft
Fenotype: waarneembare eigenschappen (gedrag of oogkleur)
Mitose: normale cellen delen zich en vermenigvuldigen
Meiose: sperma en eicellen worden geproduceerd
Zygote: nieuwe cel als resultaat van zaadcel en eicel die verenigen
Allel: gedeelte van gen
Locus: plaats op het chromosoom
Polygene eigenschappen: eigenschappen die continu variëren en over het algemeen door
vele genen beïnvloed worden
Epigenetica: wanneer de omgeving een omkeerbare verandering veroorzaakt in de
genfunctie die er toe leidt dat een gen wordt in-uitgeschakeld.
Functionalisme: poging om gedrag te verklaren in de termen van wat het bereikt voor het
individu (giraffen lange nek om bladeren te eten)
Distale verklaringen: gedragsverklaring door evolutie
Proximale verklaringen: verklaringen voor onmiddellijke omstandigheden. (bv hoge
testosteron in de lente bij vogels zodat ze kunnen zingen)
Beperkingen functionalistisch denken:
1. Vestigiale kenmerken: overblijfselen van onze voorouders die geen functie meer
hebben; kippenvel
2. Aanpassingen / bijproducten: Navels zijn bijproduct van navelstreng
3. Mutaties / genetische drift: sommige eigenschappen zijn mutaties door toeval die
geen effect hebben op overleving
4. Sommige mechanismen zijn niet altijd nuttig, zoals schuldgevoel.
Denkfouten!:
● Als iets ‘natuurlijk’ is, dan is het daarmee moreel ‘juist’ en omgekeerd
● Als mannelijke apen in de natuur vrouwelijke apen domineren, dan is dat blijkbaar
ook in bij mensen de ‘juiste gang van zaken’
Zes universele emoties: verdriet, woede, walging, minachting, verbazing en angst
Homologie: vergelijkbare functie, dezelfde genetische ‘oer’ oorsprong (mensen en aap)
Analogie: vergelijkbare functie, verschillende genetische oorsprong
Drie fundamentele ideeën
1. Lichamelijke oorzaak van gedrag
2. Rol van ervaring
3. Rol van natuurlijke selectie
Dualisme: lichaam is materiaal, ziel is immaterieel
René Descartes / Cartesiaans dualisme: Pijnappelklier (hersenen) plek van de ziel
Reflexologie: vrijwillige handelingen zijn ook complexe reflexen
Thomas Hobbes: alles is materieel; materialisme
Gebied van Broca: bij schade aan dit gebied (linker hersenhelft) wordt spraak beperkt, maar
geen andere vaardigheden.
Empirisme: kennis en cognitie komen voort uit zintuiglijke ervaring
De mens wordt geboren als een tabula rasa
Nativisme: gedrag is aangeboren
A posteriori: kennis uit ervaring
A priori: kennis is ingebouwd in het brein
Immanuel Kant
Natuurlijke selectie; Charles Darwin
soorten evolueren over generaties
Filosofen:
René Descartes: Psychologie mag: ook complex gedrag wordt door het lichaam
veroorzaakt. Alleen ‘denken’ onttrekt zich aan onderzoek: dualisme
Thomas Hobbes: Geest is betekenisloos concept: alle gedrag gevolg van fysische
processen: materialisme
John Locke: Kennis komt uitsluitend voort uit zintuiglijke ervaring: empirisme
Immanuel Kant: A priori kennis (in brein ingebouwd) en a posteriori kennis (ervaring).
Nadruk op a priori: nativisme
Charles Darwin: Menselijk gedrag is ontstaan in de loop van de evolutie. Natuurlijke selectie.
Later: functionalisme
Paul Broca: Delen van het brein zijn gespecialiseerd. Gebied van Broca. Ook: onze bewuste
waarneming wordt bepaald door de plaats van activatie in ons brein
,Wilhelm Wundt: Mentale processen zijn te meten. Eerste leerboek, eerste laboratorium
Verschillende perspectieven psychologie
1. Neuraal (hersenen als oorzaak)
2. Fysiologisch (hormonen, neurotransmitters)
3. Genetisch (genen)
4. Evolutionair (natuurlijke selectie)
5. Leren (individuele ervaring)
6. Cognitief (kennis / geloof van individu)
7. Sociaal (invloed andere mensen)
8. Cultureel (culturele achtergrond)
Hoofdstuk 2 Methods of Psychology
Pseudowetenschap= Fenomenen of disciplines die pretenderen wetenschappelijk te zijn
Het observer-expectancy effect / waarnemers verwachtingseffect: ongewenste beïnvloeding
van het resultaat door de onderzoeker
Bijvoorbeeld klappen als publiek als het paard het juiste antwoord geeft
Hawthorne- effect: het gedrag van proefpersonen kan veranderen als gevolg van de
wetenschap dat ze in de gaten worden gehouden.
Het subject-expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de
proefpersoon. Bijvoorbeeld; placebo
Ideomotor effect: zeer kleine, onbewuste (hand)bewegingen van facilitator zijn al voldoende
om hand te sturen
Onderzoek: verschillende soorten therapieën proberen
Therapie: onafhankelijke variabele
Depressie: afhankelijke variabele
Within-subject experiment: één proefpersoon loopt alle verschillende omstandigheden door
Hoofdstuk 3 Genetica, evolutie en neurale controle van gedrag
Genen: bestanddelen van DNA. Onderdeel van chromosomen
DNA: bevat 23 chromosomen, verantwoordelijk voor genetisch overdracht
RNA: sjabloon voor de productie eiwitten
, Twee soorten genen:
Coderende genen: zorgen dat de juiste soort eiwit wordt geproduceerd waarmee onderdelen
van het lichaam kunnen worden gebouwd
Regulerende genen: helpen coderende genen te activeren of onderdrukken. 80% van genen
zijn regulerend
Structurele eiwitten: vormen de structuur van elke lichaamscel
Enzymen: regelen de snelheid van elke chemische reactie in een cel
Genotype: genen die je erft
Fenotype: waarneembare eigenschappen (gedrag of oogkleur)
Mitose: normale cellen delen zich en vermenigvuldigen
Meiose: sperma en eicellen worden geproduceerd
Zygote: nieuwe cel als resultaat van zaadcel en eicel die verenigen
Allel: gedeelte van gen
Locus: plaats op het chromosoom
Polygene eigenschappen: eigenschappen die continu variëren en over het algemeen door
vele genen beïnvloed worden
Epigenetica: wanneer de omgeving een omkeerbare verandering veroorzaakt in de
genfunctie die er toe leidt dat een gen wordt in-uitgeschakeld.
Functionalisme: poging om gedrag te verklaren in de termen van wat het bereikt voor het
individu (giraffen lange nek om bladeren te eten)
Distale verklaringen: gedragsverklaring door evolutie
Proximale verklaringen: verklaringen voor onmiddellijke omstandigheden. (bv hoge
testosteron in de lente bij vogels zodat ze kunnen zingen)
Beperkingen functionalistisch denken:
1. Vestigiale kenmerken: overblijfselen van onze voorouders die geen functie meer
hebben; kippenvel
2. Aanpassingen / bijproducten: Navels zijn bijproduct van navelstreng
3. Mutaties / genetische drift: sommige eigenschappen zijn mutaties door toeval die
geen effect hebben op overleving
4. Sommige mechanismen zijn niet altijd nuttig, zoals schuldgevoel.
Denkfouten!:
● Als iets ‘natuurlijk’ is, dan is het daarmee moreel ‘juist’ en omgekeerd
● Als mannelijke apen in de natuur vrouwelijke apen domineren, dan is dat blijkbaar
ook in bij mensen de ‘juiste gang van zaken’
Zes universele emoties: verdriet, woede, walging, minachting, verbazing en angst
Homologie: vergelijkbare functie, dezelfde genetische ‘oer’ oorsprong (mensen en aap)
Analogie: vergelijkbare functie, verschillende genetische oorsprong