VWO Economie Levensloop
Hoofdstuk 1
Schaarste
Het begrip schaarste betekent in de economie betekent dat er inspanning moet worden
geleverd om het product te verkrijgen. Om het product te maken moeten er dus producten
opgeofferd worden om het te kunnen maken.
Boeken zijn bijvoorbeeld schaars in de economie. Dit komt omdat er onder andere papier,
inkt, drukpers en arbeid nodig is om het boek te kunnen maken.
Gratis schoolboeken, fietsen, tafels en agenda’s zijn dus ook schaarse producten.
Bijna alle goederen zijn schaars, alleen de vrije goederen niet. Denk aan zonlicht en de lucht
die we inademen
(water is schaars, want we moeten het zuiveren en er is arbeid voor nodig als we het willen
drinken)
Absolute schaarste: Er is dan weinig van een bepaald goed relatieve schaarste: Er is tijd en
moeite voor nodig. Zoals een boek.
Relatieve schaarste: Er is tijd en moeite voor nodig. Zoals een boek.
Opofferingskosten
Opofferingskosten zijn de kosten die je ergens voor opoffert als je liever voor iets ander
kiest. Als je bijvoorbeeld een avondje naar de bioscoop gaat wat je 25 euro kost en je
tegelijkertijd ook kon oppassen wat je 15 euro oplevert, dan zijn je opofferingskosten 40
euro.
Opofferingskosten bestaat meestal uit tijd, geld of energie
Budgetlijn tekenen en rekenen
Een budgetlijn geeft de verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden bij
een bepaald budget.
Voorbeeldsom: Je hebt 80 euro en je wilt magnums en frisdrank kopen. Magnums zijn 2
euro per stuk en frisdrank is 0,80 euro per blikje. Hierbij kun je een formule oprichten 80=
2M + 0,80F
(staat voor 80 = 2 euro x het aantal magnums + 0,80 euro x het aantal frisdrank blikjes)
Als je alleen Magnums koopt kun je er 40 kopen → want 80:2=40 Als je alleen Frisdrank
koopt kun je er
100 kopen → want 80/ 0,80=100
Nu kun je deze budgetlijn opstellen:
, Procentuele toename
NIEUW-OUD: OUD x 100% = ....
Vrij goed
Niet schaars, een regenbui komt wel of niet, maar er zijn geen productiefactoren voor nodig
om een bui te produceren.
Nominaal budget
Het te besteden bedrag uitgedrukt in euro’s
Koopkracht
Hoeveel producten/goederen kunnen worden gekocht met het besteedbaar inkomen/
budget. Als je gemiddeld 15 euro per product besteed en je budget is 150 dan kun heb je
een koopkracht van 10.
Investeren
Aanschaf van kapitaalgoederen door bedrijf om geld mee te verdienen.
Consumeren
Aanschaf van producten voor eigen gebruik
Hoofdstuk 2
Voorraad en stroomgrootheden
Voorraadgrootheid is een voorraad gemeten op een bepaald tijdstip; bijvoorbeeld een
voorraad grondstoffen op 31 december 2002. Een voorraadgrootheid is een grootheid die
constant is, als hij op elk moment kan worden gemeten. Ook je banksaldo is een hier een
voorbeeld van. Zet de tijd stil en lees het bedrag af.
Stroomgrootheden dat is een stroom gemeten over een bepaalde periode; bijvoorbeeld
snelheid, deze is uitgedrukt in kilometer per uur. Je zakgeld is een stroomgrootheid, want de
omvang van deze grootheid verandert continue. Hierbij reken je het dus uit per periode.
Voorbeelden:
Flesje water → hoeveel water er op dat moment in het flesje zit is de voorraadgrootheid en
als je er wat uit drinkt en het weer bijvult en je meet het over een bepaalde periode is het
een stroomgrootheid
Banksaldo→ hoeveel geld er op dat moment op je banksaldo staat is de voorraadgrootheid
en als je het over een bepaalde periode berekent en er wordt weer geld gestort en je geeft
geld uit is het een stroomgrootheid.
Snoep in het schap→ het snoep dat in het schap ligt op dat moment is een
voorraadgrootheid, en als er dan snoep geconsumeerd wordt en de voorraad neemt af dan
bereken je het over een periode en is het stroomgrootheid.
Hoofdstuk 1
Schaarste
Het begrip schaarste betekent in de economie betekent dat er inspanning moet worden
geleverd om het product te verkrijgen. Om het product te maken moeten er dus producten
opgeofferd worden om het te kunnen maken.
Boeken zijn bijvoorbeeld schaars in de economie. Dit komt omdat er onder andere papier,
inkt, drukpers en arbeid nodig is om het boek te kunnen maken.
Gratis schoolboeken, fietsen, tafels en agenda’s zijn dus ook schaarse producten.
Bijna alle goederen zijn schaars, alleen de vrije goederen niet. Denk aan zonlicht en de lucht
die we inademen
(water is schaars, want we moeten het zuiveren en er is arbeid voor nodig als we het willen
drinken)
Absolute schaarste: Er is dan weinig van een bepaald goed relatieve schaarste: Er is tijd en
moeite voor nodig. Zoals een boek.
Relatieve schaarste: Er is tijd en moeite voor nodig. Zoals een boek.
Opofferingskosten
Opofferingskosten zijn de kosten die je ergens voor opoffert als je liever voor iets ander
kiest. Als je bijvoorbeeld een avondje naar de bioscoop gaat wat je 25 euro kost en je
tegelijkertijd ook kon oppassen wat je 15 euro oplevert, dan zijn je opofferingskosten 40
euro.
Opofferingskosten bestaat meestal uit tijd, geld of energie
Budgetlijn tekenen en rekenen
Een budgetlijn geeft de verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden bij
een bepaald budget.
Voorbeeldsom: Je hebt 80 euro en je wilt magnums en frisdrank kopen. Magnums zijn 2
euro per stuk en frisdrank is 0,80 euro per blikje. Hierbij kun je een formule oprichten 80=
2M + 0,80F
(staat voor 80 = 2 euro x het aantal magnums + 0,80 euro x het aantal frisdrank blikjes)
Als je alleen Magnums koopt kun je er 40 kopen → want 80:2=40 Als je alleen Frisdrank
koopt kun je er
100 kopen → want 80/ 0,80=100
Nu kun je deze budgetlijn opstellen:
, Procentuele toename
NIEUW-OUD: OUD x 100% = ....
Vrij goed
Niet schaars, een regenbui komt wel of niet, maar er zijn geen productiefactoren voor nodig
om een bui te produceren.
Nominaal budget
Het te besteden bedrag uitgedrukt in euro’s
Koopkracht
Hoeveel producten/goederen kunnen worden gekocht met het besteedbaar inkomen/
budget. Als je gemiddeld 15 euro per product besteed en je budget is 150 dan kun heb je
een koopkracht van 10.
Investeren
Aanschaf van kapitaalgoederen door bedrijf om geld mee te verdienen.
Consumeren
Aanschaf van producten voor eigen gebruik
Hoofdstuk 2
Voorraad en stroomgrootheden
Voorraadgrootheid is een voorraad gemeten op een bepaald tijdstip; bijvoorbeeld een
voorraad grondstoffen op 31 december 2002. Een voorraadgrootheid is een grootheid die
constant is, als hij op elk moment kan worden gemeten. Ook je banksaldo is een hier een
voorbeeld van. Zet de tijd stil en lees het bedrag af.
Stroomgrootheden dat is een stroom gemeten over een bepaalde periode; bijvoorbeeld
snelheid, deze is uitgedrukt in kilometer per uur. Je zakgeld is een stroomgrootheid, want de
omvang van deze grootheid verandert continue. Hierbij reken je het dus uit per periode.
Voorbeelden:
Flesje water → hoeveel water er op dat moment in het flesje zit is de voorraadgrootheid en
als je er wat uit drinkt en het weer bijvult en je meet het over een bepaalde periode is het
een stroomgrootheid
Banksaldo→ hoeveel geld er op dat moment op je banksaldo staat is de voorraadgrootheid
en als je het over een bepaalde periode berekent en er wordt weer geld gestort en je geeft
geld uit is het een stroomgrootheid.
Snoep in het schap→ het snoep dat in het schap ligt op dat moment is een
voorraadgrootheid, en als er dan snoep geconsumeerd wordt en de voorraad neemt af dan
bereken je het over een periode en is het stroomgrootheid.