Paragraaf 1 Familietrekjes
Begrippen:
Homoloog: Gelijksoortig
, Karyogram: Systematische rangschikking van de chromosomen (erfelijke
informatie) van de mens
Autosoom: Chromosoom, dat niet direct betrokken is bij het totstandkomen van
het geslacht van een individu
Geslachtschromosoom: Chromosoom, dat een rol speelt bij de totstandkoming
van het geslacht. Dit chromosomenpaar verschilt in de twee geslachten.
Karyotype: Chromosomenpatroon
Trisomie: Verschijnsel dat in een diploïd individu van een type chromosoom er
drie voorkomen
Gen: Stukje van een chromosoom met een specifieke erfelijke eigenschap, dat
bestaaat uit DNA
Genoom: Het geheel van alle genen van de chromosomen van een individu
Milieu: Omgeving
Fenotype: Het waarneembare resultaat van het tot uiting komen van de genen
Aangeboren: Met de geboorte verkregen
Allel: Elk van de verschillende vormen van hetzelfde gen
Emergente eigenschap: Een eigenschap dat je niet verwacht als je alle betrokken
factoren apart bekijkt.
Genotype: De erfelijke aanleg
Tweelingonderzoek: Bij tweelingonderzoek bepalen onderzoekers wat de bijdrage
is van allelen en het milieu aan de ontwikkeling van een eigenschap
Chromosomenkaart
Je hebt in je lichaam 46 chromosomen. 23 van je moeder en 23 van je vader. De
twee chromosomen die samen een paar vormen zij homologe chromosomen. Een
overzichtelijke rangschikking van haar chromosomen vormt een karyogram.
Een chromosoom te veel of te weinig
Als je drie in plaats van twee chromosomen nummer 21 hebt is dat trisomie 21.
Dan heb je het syndroom van down. Trisomie 21 ontstaat door een verstoring
tijdens de meiose.
Eigenschappen
Chromosomen bestaan uit DNA en steuneiwitten. Het DNA bevat informatie die
nodig is om je lichaam te laten werken. Dergelijke informatie voor een bepaalde
eigenschap heet een gen. Alle genen vormen je genoom. Niet alle eigenschappen
zijn erfelijk. Vaak speelt de omgeving, het milieu, ook een rol. Het resultaat van
het samenspel tussen erfelijke factoren en het milieu is het fenotype.
Aangeboren en erfelijk
je komt ter wereld met bepaalde eigenschappen. Die eigenschappen zijn
aangeboren. Zoals te klein geboren worden door nicotine. Je hebt ook
aangeboren eigenschappen die erfelijk zijn. Zoals een ziekte dat in de familie zit.
Van een gen bestaan twee varianten. Varianten van hetzelfde gen heten allelen.
Genen versus milieu
een eigenschap als goed kunnen pianospelen is een emergente eigenschap. Dat
betekend dat deze eigenschap iets nieuws is. Je kunt hem niet afleiden uit het
DNA en ook niet uit gezamenlijke eigenschappen van botten, spieren en
zenuwen. Je allelen voor bepaalde eigenschappen vormen je genotype. Wat er
onder invloed van het milieu van terechtkomt, is je fenotype.