Probleem 3 – Inside the Neuron
Wat is een zenuwimpuls?
Zenuwcel (neuron) opbouw –
- Een cellichaam, soma, met een celkern, nucleus.
- Een lange uitloper genaamd axon.
Iedere neuron heeft maar 1 axon. Het axon
STUURT informatie als elektrische signalen
vanuit het cellichaam door naar andere
hersencellen en naar het ruggenmerg (CZS).
- Meerdere kleine uitlopers genaamd dendrieten.
Iedere neuron heeft meerdere dendrieten.
Een dendriet ONTVANGT informatie uit het
lichaam, de weefsels en uit de zintuigen (PZS).
De dendrieten maken contact met de uiteinden van de axonen. De
synapsen zijn de verbindingspunten waar de axonen en dendrieten
samenkomen.
- De neurieten zijn axonen en dendrieten samen.
Axonen verzenden informatie met matige snelheden (variërend van minder dan 1
meter/seconde tot ongeveer 100 m/s).
- Een aanraking op je schouder bereikt je brein eerder dan een aanraking op je teen. Je
zal het verschil niet merken, tenzij de vertraging tussen aanrakingen groter is dan 70
milliseconden (ms)
- De illusie van licht verplaatsing: axonen van meer afgelegen delen van je netvlies
impulsen iets sneller doorgeven dan die dichter
bij de hersenen.
‘Een elektrisch stroompje’.
Vanaf zintuig: deze impuls gaat door de sensorische
zenuwcel naar het ruggenmerg. Wordt door
schakelcellen naar hersenen geleidt.
Vanaf hersenen: impuls gaat vanaf motorische schors
door middel van schakelcellen naar het ruggenmerg
door naar motorische zenuwcel naar de spier.
Een zenuwimpuls is eigenlijk ook wel een actiepotentiaal:
Actiepotentiaal tijdelijke verandering van rustpotentiaal.
Zenuwimpuls verplaatsing van actiepotentiaal.
, Hoe wordt een zenuwimpuls gegenereerd?
Potentialen
Resting Potential: het spanningsverschil
tussen de binnenkant en buitenkant van de
cel door de verschillen in geladen deeltjes
(ionen). Met -70mV. Is nodig voor impuls
geleiding.
- De natriumkaliumpomp: is een eiwit.
Natrium naar binnen via diffusie,
kalium naar buiten. Deze pompt het
terug of weg. Zorgt voor het handhaven van Resting Potential.
Actiepotentiaal: Cellen kunnen met elkaar communiceren via chemische stoffen (hormonen)
en via elektriciteit (zenuwen), hiervoor is het
‘actiepotentiaal’ nodig. Potentiaalverschil is een term
dat gebruikt wordt wanneer positieve en negatieve
ladingen van elkaar gescheiden worden gehouden,
waarbij er een potentiële elektrische stroom opgewekt
kan worden (batterij) uitgedrukt in millivolt. Omdat de
potentialen worden gescheiden door een membraan,
noemen we dat potentiaal, het ‘membraampotentiaal’.
Met twee compartimenten: extracellulair en
intracellulair.
- Ionenflux: het verplaatsen van ionen (natrium, kalium). Dit hangt af van het
concentratieverschil en de permeabiliteit (doorlaatbaarheid van het celmembraam).
Ionenflux zorgt daarna voor de potentiaal. Dit concentratieverschil zorgt voor diffusie
van hoge naar lage concentratie. Intra is relatief negatief geladen vergeleken met
extracellulair. Het potentiaalverschil heeft dan ook weer invloed op de
permeabiliteit.
- Alle cellen hebben een rustpotentiaal, maar alleen spier- en zenuwcellen hebben een
actiepotentiaal.
o De natriumconcentratie behaald de drempelwaarde, waardoor natrium
supersnel de cel binnenstroomt. En iets later gaat het kalium er pas uit.
o Actiepotentiaal is altijd hetzelfde.
Natrium zorgt voor een positiever geladen cel (-50mv is drempelwaarde).
Wat is een zenuwimpuls?
Zenuwcel (neuron) opbouw –
- Een cellichaam, soma, met een celkern, nucleus.
- Een lange uitloper genaamd axon.
Iedere neuron heeft maar 1 axon. Het axon
STUURT informatie als elektrische signalen
vanuit het cellichaam door naar andere
hersencellen en naar het ruggenmerg (CZS).
- Meerdere kleine uitlopers genaamd dendrieten.
Iedere neuron heeft meerdere dendrieten.
Een dendriet ONTVANGT informatie uit het
lichaam, de weefsels en uit de zintuigen (PZS).
De dendrieten maken contact met de uiteinden van de axonen. De
synapsen zijn de verbindingspunten waar de axonen en dendrieten
samenkomen.
- De neurieten zijn axonen en dendrieten samen.
Axonen verzenden informatie met matige snelheden (variërend van minder dan 1
meter/seconde tot ongeveer 100 m/s).
- Een aanraking op je schouder bereikt je brein eerder dan een aanraking op je teen. Je
zal het verschil niet merken, tenzij de vertraging tussen aanrakingen groter is dan 70
milliseconden (ms)
- De illusie van licht verplaatsing: axonen van meer afgelegen delen van je netvlies
impulsen iets sneller doorgeven dan die dichter
bij de hersenen.
‘Een elektrisch stroompje’.
Vanaf zintuig: deze impuls gaat door de sensorische
zenuwcel naar het ruggenmerg. Wordt door
schakelcellen naar hersenen geleidt.
Vanaf hersenen: impuls gaat vanaf motorische schors
door middel van schakelcellen naar het ruggenmerg
door naar motorische zenuwcel naar de spier.
Een zenuwimpuls is eigenlijk ook wel een actiepotentiaal:
Actiepotentiaal tijdelijke verandering van rustpotentiaal.
Zenuwimpuls verplaatsing van actiepotentiaal.
, Hoe wordt een zenuwimpuls gegenereerd?
Potentialen
Resting Potential: het spanningsverschil
tussen de binnenkant en buitenkant van de
cel door de verschillen in geladen deeltjes
(ionen). Met -70mV. Is nodig voor impuls
geleiding.
- De natriumkaliumpomp: is een eiwit.
Natrium naar binnen via diffusie,
kalium naar buiten. Deze pompt het
terug of weg. Zorgt voor het handhaven van Resting Potential.
Actiepotentiaal: Cellen kunnen met elkaar communiceren via chemische stoffen (hormonen)
en via elektriciteit (zenuwen), hiervoor is het
‘actiepotentiaal’ nodig. Potentiaalverschil is een term
dat gebruikt wordt wanneer positieve en negatieve
ladingen van elkaar gescheiden worden gehouden,
waarbij er een potentiële elektrische stroom opgewekt
kan worden (batterij) uitgedrukt in millivolt. Omdat de
potentialen worden gescheiden door een membraan,
noemen we dat potentiaal, het ‘membraampotentiaal’.
Met twee compartimenten: extracellulair en
intracellulair.
- Ionenflux: het verplaatsen van ionen (natrium, kalium). Dit hangt af van het
concentratieverschil en de permeabiliteit (doorlaatbaarheid van het celmembraam).
Ionenflux zorgt daarna voor de potentiaal. Dit concentratieverschil zorgt voor diffusie
van hoge naar lage concentratie. Intra is relatief negatief geladen vergeleken met
extracellulair. Het potentiaalverschil heeft dan ook weer invloed op de
permeabiliteit.
- Alle cellen hebben een rustpotentiaal, maar alleen spier- en zenuwcellen hebben een
actiepotentiaal.
o De natriumconcentratie behaald de drempelwaarde, waardoor natrium
supersnel de cel binnenstroomt. En iets later gaat het kalium er pas uit.
o Actiepotentiaal is altijd hetzelfde.
Natrium zorgt voor een positiever geladen cel (-50mv is drempelwaarde).