Gedrag in organisatie
Voorbeeldvraag tentamen:
Leg uit waarom een contactadvertentie een spiegel van een samenleving is?
Psychologisch Kruipen in de persoon (karakter)
Sociologisch Vanuit de samenleving – ‘’Fenomeen’’
Hoofdstuk 1: Individu en organisatie
Motivatie Het totaal van beweegredenen of motieven dat op een bepaald ogenblik
werkzaam is binnen een individu.
Motivatie wordt bepaald door:
- Interne krachten (Behoeften)
- Externe krachten (situatie)
- Betekenisgeving aan situatie en behoeften.
Freud Noemt interne krachten driften. Deze driften zijn aangeboren, hebben een
lichamelijke oorsprong. Zij zijn drijfveren voor het handelen.
Theorie van Maslow
- Fysiologische behoeften – Behoeften en zaken die nodig zijn om in leven te
blijven. ( voedsel, water, slaap, goede lichaamstemperatuur)
- Veiligheidsbehoeften –behoefte aan veiligheid, zekerheid en bescherming.
- Sociale behoeften –behoefte aan sociaal contact, aan vriendschap, liefde en
ergens bij horen.
- Erkenningsbehoeften –behoefte aan waardering en respect door anderen, aan
achting en status.
- Zelfactualiseringsbehoeften – behoefte aan kennis, waarheid en wijsheid om
tot zelfontplooiing of persoonlijke groei te komen.
Aan Maslows theorie liggen
twee uitgangspunten ten grondslag:
1. Deprivatie van behoeften leidt tot activatie. Wanneer er sprake is van een tekort
(deprivatie), een onbevredigde behoefte, zal de mens in beweging komen
(activatie). Hij zal maatregelen nemen die kunnen leiden tot bevrediging van deze
behoefte. De kracht van de activatie zal afhankelijk zijn van de mate van
deprivatie. Is de behoefte eenmaal bevredigd, dan neemt het activiteitenniveau af.
2. Behoefte zijn hiërarchisch geordend. Maslow is van mening dat er een vaste
ordening is in behoefte. (van onder naar boven)
Theorie van Alderfer (ERG- Theorie)
1. Existentiële behoeften – Dit is de behoefte aan materiële zekerheid.
( werkomstandigheden en vast salaris vallen hier ook onder) ( zijn vergelijkbaar
met fysiologische behoeften en veiligheidsbehoeften ( MASLOW ))
1
, 2. Relationele behoeften – behoefte aan goede relaties met andere mensen, aan
liefde en vriendschap. ( Zijn vergelijkbaar met Sociale behoeften en
erkenningsbehoeften (MASLOW))
3. Groeibehoeften - behoefte aan persoonlijke groei, aan mogelijkheden om
zichzelf te ontplooien. ( is vergelijkbaar met erkenningsbehoeften (MASLOW))
Verschillen met Maslow:
- Verschillende soorten behoeften kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn.
- Frustratie- regressiehypothese / hoe meer bevrediging van hogere behoeften
gefrustreerd wordt, des te belangrijker behoeften van lager niveau worden.
Theorie van McClelland
1. Prestatiebehoefte – Als deze behoefte dominant is, is de persoon vooral gericht
op het leveren van goede prestaties. Hij zal ook situaties opzoeken die uitdagen
en waarin hij kan laten zien wat hij kan.
2. Machtsbehoefte - Mensen bij wie deze behoefte dominant is, streven naar
invloed en controle over anderen. Ze proberen posities te bereiken waarin dat
mogelijk is.
3. Affilliatiebehoefte - Als deze behoeften dominant is, zijn mensen gericht op het
scheppen van goede relaties met anderen.
Verschillen met Maslow:
- Ieder individu ontwikkelt in eerste levensjaren een behoefteprofiel
- In specifieke functies is vaak een dominante behoefte te vinden. Bijv.
machtsbehoefte bij midden en hoger management.
De wet van het effect: Skinner ( 1953)
De gevolgen van een handeling bepalen of iemand de neiging heeft om die te herhalen of
juist achterwege te laten.
Groot deel van menselijk gedrag wordt ‘automatisch’ uitgelokt (geconditioneerd).
Attributietheorie
Attributie Wat is de oorzaak van een gedrag
- Interne attributie ; Oorzaak ligt in de persoon zelf ( persoonlijkheid, intelligentie
etc.)
- Externe attributie: Oorzaak ligt in de situatie
Attributiefouten:
- Fundamentele attributiefout: Invloed van situatie op gedrag van een ander wordt
onderschat.
- Zelf dienende vertekening : Neiging om succes intern- en falen extern te
attribueren. Hierdoor blijft een positief zelfbeeld in stand.
Attribueren Het proces waarin mensen proberen te achterhalen wat de oorzaken zijn
van hun eigen gedrag en het gedrag van anderen extern- oorzaak van slagen/ falen
zoeken BUITEN zichzelf ( andere mensen, de omstandigheden)
Intrinsieke motivatie Komt vanuit de persoon zelf.
2