Bewegingsapparaat Botten
Bot: Een orgaan van het beenderstelsel (skelet)
Epifyse: Deel van het bot dat aan het uiteinde zit
Metafyse: Deel van het bot dat zich tussen het uiteinde en de schacht van het bot bevindt
Diafyse: De schacht van het bot (lange middenstuk)
Compacta: Bot dat om het spongieus bot heen zit, direct onder het botvlies.
De botcellen zitten dicht op elkaar
Spongieus bot: Sponsachtig bot dat zich in het midden van het bot bevindt.
Bevat beenmerg (rood en/of geel)
Rood beenmerg: Beenmerg dat zich in spngieus botweefsel bevindt en verantwoordelijk is
voor de aanmaak van bloedcellen (rode, witte en bloedplaatjes)
Beenvlies: Ook wel: ‘botvlies’ of ‘periost’. Buitenste laag van het bot dat uit een stug
membraan bestaat. Bekleed het gehele bot behalve het gewrichtsoppervlak.
Is een aanhechtingsplaats voor o.a. pezen van spieren.
Bevat openingen waarlangs bloedvaten het bot in kunnen.
Geel beenmerg: Beenmerg in spongieus bot. Dient als energiereserve
Beenverbindingen: Een verbinding tussen twee (of meer) beenderen door b.v. een gewricht,
kraakbeen, vergroeiing
Bewegingsapparaat Spieren
400 Skeletspieren 660 spieren
40-50 % van totale lichaamsgewicht
Functies: Beweging en Ademhaling
Houding vast houden ( stil zitten kost ook spierkracht )
Warmte productie
Bescherming ( bijv organen )
Opslag reserve voedingstoffen
Contractie: Verkorting spier, kost veel energie
Relaxie: Verslapping spier, kost geen energie
Antagonisten: spieren die tegengestelde beweging veroorzaken zoals biceps/triceps
Middenrif: Diafragma
Intra musculair prikken: in grote bilspier ( bovenste buitenste kwadrant )
Skeletspieren bevestigd tussen 2 botten van skelet ( dwarsgestreept )
Myofibrillen eiwitketen
Myofilamenten
Willekeurige spieren Worden door hersenen aangestuurd
Onwillekeurige spieren trekken automatisch samen
Spiertonus Spierspanning
, Begrippenlijst ANPAT
Cellen
Cytologie Cel leer
Cel kleine zelfstandig werkende eenheid binnen lichaam
Uitscheiden Afstoten vanuit het lichaam ( secretie )
Celmembraan Buitenwand
Cytoplasma Gevuld met celvocht
Chromosoom drager van deel erfelijk materiaal
Gen bevat erfelijke eigenschappen
Mitochondrië energiecentrales van de cel
Centrosoom richting aangevers tijdens celdeling
Centriolen 2 x in centrosoom, polen in celdeling
Genetica erfelijkheidsleer
Mitose gewone celdeling, voor groei en herstel
Autosomen chromosoom/geen geslacht/geen X of Y
Geslachtschromosomen 1 paar XX - XY
Karyogram microscoopfoto van chromosomen
Meiose reductiedeling / ALLEEN GESLACHTSCELLEN
Gameten geslachtscellen
Zygote
Weefsel Cellen met dezelfde bouw en functie
Dekweefsel dekt lichaam af / begrenzing binnen van buiten
Steunweefsel bind, kraak, bot, bloed/lymfe
Orgaanstelsel samengestelde organen
Weefsels
Epitheel dekweefsel
Intercellulaire substantie
Trilhaarepitheel dekweefste in luchtpijp
CO2 zuurstof
Endocriene klieren (in) geeft hormoon aan bloed, bijvorobeeld schildklier
Exocriene klieren (uit) geeft prodcut af aan buiten/ holte bijv zweet/sap
Secretie uitscheiden
Collagene vezels lang, niet rekbaar, banden en pezen
Elastische vezels lang, rekbaar, wand bloedvaten
Reticulaire vezels kort, vertakt, netwerk/beenmerg
Chondrine kraakbeenlijm
Stofwisseling proces waarbij stoffen worden omgezet
Plasma vloeibaar deel van bloed
Myofibrillen eiwitketens
Bindweefsel ondersteund, bekledend, verbindend
Myocard Hartspier
Impuls signalen
Neuron zenuwcellen