Leerdoelen Onderzoek
1. De DIO kan zowel kwantitatieve als kwalitatieve data analyseren.
Meetniveaus:
1. Nominaal
- Geen verschil van meer of minder
- Voorbeeld: man of vrouw
2. Ordinaal
- Wel verschil van meer of minder
- Voorbeeld: rangorde (basisonderwijs, hoger onderwijs, wetenschappelijk onderwijs)
3. Interval
- Wel verschil van meer of minder
- Uit te drukken in een getal, waarbij het verschil tussen de getallen steeds even groot
is
- Geen nulpunt
- Voorbeeld: temperatuur
4. Ratio
- Verschil van meer of minder
- Uit te drukken in een getal
- Er is een absoluut nulpunt
- Voorbeeld: leeftijd
Analyse met SPSS
In dit programma kun je:
- Gegevens invoeren
- Data bewerken; bijvoorbeeld het samenvoegen van mensen in een aantal
leeftijdscategorieën
- Analyseren van data; bijvoorbeeld het berekenen van samenhang tussen 2 variabelen
of het bepalen van de statistische significatie.
Hoofdstuk 9 – Onderzoeksvaardigheden
Bij kwantitatief onderzoek kun je de resultaten analyseren met behulp van een datamatrix. Voor een
datamatrix moet je een codeboek opstellen.
Hierbij moet je:
- De enquêtes moeten worden genummerd, zodat je weet welk antwoord bij welke enquête
hoort
- De vragen een variabelennaam geven
Voorbeeld: Geslacht, opleiding etc.
- De antwoordmogelijkheden nummeren
Bij vragen waarbij meerdere antwoorden mogelijk zijn moet er per antwoord een aparte kolom
worden gebruikt in de datamatrix.
Voorbeeld: ‘Kruis aan welke merknamen je kent?’
o Nike
o Adidas
o Puma
o Asics
1 = kent wel
2 = kent niet
Enquêtenumme Geslacht Nike Adidas Puma Asics
r
1 1 (man) 1 1 2 2
2 2 (vrouw) 2 1 1 2
3 2 1 2 2 1
, 2 manieren om je resultaten (kwantitatief) van de datamatrix te weergeven in je onderzoeksrapport
zijn; frequentieverdeling en grafieken.
1. Frequentieverdeling
Een frequentieverdeling is het aantal keren dat een verschijnsel voorkomt. Als je alle
frequenties in een tabel hebt staan, heb je een frequentieverdeling.
Doel: overzichtelijke weergave van de resultaten
4 soorten:
Ongegroepeerde frequentieverdeling
Wanneer: als de variabelen weinig verschillende waardes/ antwoorden hebben
Voorbeeld: ‘Wat is uw leeftijd?’ (In een eerstejaarsklas)
Als een variabele veel verschillende waarnemingen heeft is een ongegroepeerde
verdeling niet overzichtelijk
Gegroepeerde frequentieverdeling
Wanneer: als een variabele veel voorkomende waarde heeft en de groep kan worden
ingedeeld in klassen.
Voorbeeld:
Leeftijd Frequentie Percentage **
0–9 5 5
10 – 19 16 15
20 – 29 20 18
30 – 39 10 9
40 – 49 25 23
50+ 33 30
Totaal 109 100
Relatieve frequentieverdeling
Wanneer: als je groepen wilt vergelijken
Hierbij laat je de gegroepeerde frequentieverdeling in percentages zien **.
Zie bovenstaande tabel voor het voorbeeld.
Je kan met percentages rekenen als n (aantal enquêtes) = 100.
N = <200 (percentages afronden op hele getallen)
N = <50 (berekenen van percentages is sterk af te raden)
Cumulatieve frequentieverdeling
Geeft het totale aantal frequenties dat onder bepaalde klassengrenzen zitten weer. Je telt
de frequenties van klassen bij elkaar op.
Voorbeeld:
Leeftijd Frequentie Cumulatief
0–9 5 5
10 – 19 16 21
20 – 29 20 41
30 – 39 10 51
40 + 25 76
Totaal 76
2. Grafieken
Grafische weergave van de onderzoeksresultaten. Geeft een duidelijker beeld dan een tabel.
5 soorten grafieken:
Staafdiagram
Wanneer: als je meerdere groepen wilt vergelijken. Relatief kleine verschillen zijn ook
zichtbaar.
Enkelvoudige staafdiagram: iedere antwoordmogelijkheid is in een staaf gezet
Samengestelde staafdiagram: is 1 staaf verticaal gesplitst in bijvoorbeeld geslacht.
Cirkeldiagram
1. De DIO kan zowel kwantitatieve als kwalitatieve data analyseren.
Meetniveaus:
1. Nominaal
- Geen verschil van meer of minder
- Voorbeeld: man of vrouw
2. Ordinaal
- Wel verschil van meer of minder
- Voorbeeld: rangorde (basisonderwijs, hoger onderwijs, wetenschappelijk onderwijs)
3. Interval
- Wel verschil van meer of minder
- Uit te drukken in een getal, waarbij het verschil tussen de getallen steeds even groot
is
- Geen nulpunt
- Voorbeeld: temperatuur
4. Ratio
- Verschil van meer of minder
- Uit te drukken in een getal
- Er is een absoluut nulpunt
- Voorbeeld: leeftijd
Analyse met SPSS
In dit programma kun je:
- Gegevens invoeren
- Data bewerken; bijvoorbeeld het samenvoegen van mensen in een aantal
leeftijdscategorieën
- Analyseren van data; bijvoorbeeld het berekenen van samenhang tussen 2 variabelen
of het bepalen van de statistische significatie.
Hoofdstuk 9 – Onderzoeksvaardigheden
Bij kwantitatief onderzoek kun je de resultaten analyseren met behulp van een datamatrix. Voor een
datamatrix moet je een codeboek opstellen.
Hierbij moet je:
- De enquêtes moeten worden genummerd, zodat je weet welk antwoord bij welke enquête
hoort
- De vragen een variabelennaam geven
Voorbeeld: Geslacht, opleiding etc.
- De antwoordmogelijkheden nummeren
Bij vragen waarbij meerdere antwoorden mogelijk zijn moet er per antwoord een aparte kolom
worden gebruikt in de datamatrix.
Voorbeeld: ‘Kruis aan welke merknamen je kent?’
o Nike
o Adidas
o Puma
o Asics
1 = kent wel
2 = kent niet
Enquêtenumme Geslacht Nike Adidas Puma Asics
r
1 1 (man) 1 1 2 2
2 2 (vrouw) 2 1 1 2
3 2 1 2 2 1
, 2 manieren om je resultaten (kwantitatief) van de datamatrix te weergeven in je onderzoeksrapport
zijn; frequentieverdeling en grafieken.
1. Frequentieverdeling
Een frequentieverdeling is het aantal keren dat een verschijnsel voorkomt. Als je alle
frequenties in een tabel hebt staan, heb je een frequentieverdeling.
Doel: overzichtelijke weergave van de resultaten
4 soorten:
Ongegroepeerde frequentieverdeling
Wanneer: als de variabelen weinig verschillende waardes/ antwoorden hebben
Voorbeeld: ‘Wat is uw leeftijd?’ (In een eerstejaarsklas)
Als een variabele veel verschillende waarnemingen heeft is een ongegroepeerde
verdeling niet overzichtelijk
Gegroepeerde frequentieverdeling
Wanneer: als een variabele veel voorkomende waarde heeft en de groep kan worden
ingedeeld in klassen.
Voorbeeld:
Leeftijd Frequentie Percentage **
0–9 5 5
10 – 19 16 15
20 – 29 20 18
30 – 39 10 9
40 – 49 25 23
50+ 33 30
Totaal 109 100
Relatieve frequentieverdeling
Wanneer: als je groepen wilt vergelijken
Hierbij laat je de gegroepeerde frequentieverdeling in percentages zien **.
Zie bovenstaande tabel voor het voorbeeld.
Je kan met percentages rekenen als n (aantal enquêtes) = 100.
N = <200 (percentages afronden op hele getallen)
N = <50 (berekenen van percentages is sterk af te raden)
Cumulatieve frequentieverdeling
Geeft het totale aantal frequenties dat onder bepaalde klassengrenzen zitten weer. Je telt
de frequenties van klassen bij elkaar op.
Voorbeeld:
Leeftijd Frequentie Cumulatief
0–9 5 5
10 – 19 16 21
20 – 29 20 41
30 – 39 10 51
40 + 25 76
Totaal 76
2. Grafieken
Grafische weergave van de onderzoeksresultaten. Geeft een duidelijker beeld dan een tabel.
5 soorten grafieken:
Staafdiagram
Wanneer: als je meerdere groepen wilt vergelijken. Relatief kleine verschillen zijn ook
zichtbaar.
Enkelvoudige staafdiagram: iedere antwoordmogelijkheid is in een staaf gezet
Samengestelde staafdiagram: is 1 staaf verticaal gesplitst in bijvoorbeeld geslacht.
Cirkeldiagram