INDICATIE ANTWOORDEN PERSONEN- EN FAMILIERECHT 18 juni 2014
(herkansing)
LET OP De onderstaande antwoorden bevatten slechts de kern van het juiste antwoord. Op een
tentamen wordt van de student verlangd dat hij, waar nodig, uitgebreider antwoordt, onder vermel-
ding van relevante wetsartikelen en jurisprudentie. Ook dient te worden bedacht dat onderstaande
antwoorden zijn geformuleerd in juni 2014 en zij derhalve met sindsdien voorgevallen ontwikkelin-
gen geen rekening houden, terwijl latere tentamens nu juist veelvuldig de nieuwe actualiteiten zul-
len toetsen.
DEEL I (niet voor notariële studenten; 30 punten)
a. [10 punten]
Ja, art. 1:96 lid 1.
b. [10 punten]
V zou kunnen bepleiten dat sprake is van verknochte schulden, art. 1:94 lid 3 BW; zij refereert daar
zelf aan door van ‘hoogstpersoonlijk’ te spreken. Dit verzoek slaagt waarschijnlijk niet. Criterium
voor verknochtheid noemen.
Ook zou zij afstand kunnen doen van de gemeenschap van goederen, art. 1:103 BW. Gevolgen
van afstand noemen.
Ook zou zij kunnen stellen dat op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van art.
1:100 BW moet worden afgeweken. HR 30 maart 2012, NJ 2012, 407.
c. [10 punten]
Mevrouw Blijdorp had toestemming moeten verlenen i.d.z.v . art. 1:88 lid 1 sub c en lid 5 BW. Cri-
teria voor toepassing lid 5 bespreken. Handeling lijkt niet ten behoeve van de normale uitoefening
van het bedrijf. Geen goede trouw van de bank, art. 1:89 lid 2 BW.
DEEL II (70 punten)
d. [7 punten]
A moet voldoen aan art. 1:32 en 1:38 BW.
e. [8 punten]
Nee, art. 4:42 en art. 4:55 BW. Op college is besproken Rb Zeeland-West-Brabant 6 sept 2013,
ECLI:NL:RBZWB:2013:6484.
f. [10 punten]
Dit is een uitlegkwestie. Art. 4:46 BW toepassen. A.d.h.v. onder andere HR 8 feb 2013, LJN
BY2595 kan worden betoogd dat letterlijke interpretatie niet altijd de juiste is. Omstandigheden van
het geval. Parallel met art. 4:52 BW.
(herkansing)
LET OP De onderstaande antwoorden bevatten slechts de kern van het juiste antwoord. Op een
tentamen wordt van de student verlangd dat hij, waar nodig, uitgebreider antwoordt, onder vermel-
ding van relevante wetsartikelen en jurisprudentie. Ook dient te worden bedacht dat onderstaande
antwoorden zijn geformuleerd in juni 2014 en zij derhalve met sindsdien voorgevallen ontwikkelin-
gen geen rekening houden, terwijl latere tentamens nu juist veelvuldig de nieuwe actualiteiten zul-
len toetsen.
DEEL I (niet voor notariële studenten; 30 punten)
a. [10 punten]
Ja, art. 1:96 lid 1.
b. [10 punten]
V zou kunnen bepleiten dat sprake is van verknochte schulden, art. 1:94 lid 3 BW; zij refereert daar
zelf aan door van ‘hoogstpersoonlijk’ te spreken. Dit verzoek slaagt waarschijnlijk niet. Criterium
voor verknochtheid noemen.
Ook zou zij afstand kunnen doen van de gemeenschap van goederen, art. 1:103 BW. Gevolgen
van afstand noemen.
Ook zou zij kunnen stellen dat op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van art.
1:100 BW moet worden afgeweken. HR 30 maart 2012, NJ 2012, 407.
c. [10 punten]
Mevrouw Blijdorp had toestemming moeten verlenen i.d.z.v . art. 1:88 lid 1 sub c en lid 5 BW. Cri-
teria voor toepassing lid 5 bespreken. Handeling lijkt niet ten behoeve van de normale uitoefening
van het bedrijf. Geen goede trouw van de bank, art. 1:89 lid 2 BW.
DEEL II (70 punten)
d. [7 punten]
A moet voldoen aan art. 1:32 en 1:38 BW.
e. [8 punten]
Nee, art. 4:42 en art. 4:55 BW. Op college is besproken Rb Zeeland-West-Brabant 6 sept 2013,
ECLI:NL:RBZWB:2013:6484.
f. [10 punten]
Dit is een uitlegkwestie. Art. 4:46 BW toepassen. A.d.h.v. onder andere HR 8 feb 2013, LJN
BY2595 kan worden betoogd dat letterlijke interpretatie niet altijd de juiste is. Omstandigheden van
het geval. Parallel met art. 4:52 BW.