van Feldman Baby
Toetsdoelen H.2,5,6 en 7 Feldman I + handleiding
-De student kan beschrijven wat ’ontwikkeling’ van de mens is, en
welke ontwikkelingsgebieden en ontwikkelingsfasen er zijn.
De ontwikkeling van de mens is een interactieproces tussen rijping (nature)
en leren (nurture). Je kan op verschillende manieren naar de ontwikkeling van
de mens kijken, de vijf invalshoeken zijn: evolutionair, cognitief,
psychoanalytisch, leertheoretisch en context.
Ontwikkelingsgebieden: lichamelijk, cognitief (het vermogen om dingen te
leren), sociaal- en persoonlijkheidskenmerken, moreel, taal en seksueel.
Ontwikkelingsfasen: Baby, peuter, kleuter, schoolgaand kind, adolescent, jong
volwassene, middelbare leeftijd, de oudere mens.
-De student kan beschrijven wat competenties, ontwikkelings- en
opvoedingsopgaven zijn en kan deze toepassen op een casus.
Competentie: het gevoel levenstaken aan te kunnen in de diverse
ontwikkelingsgebieden.
Kinderen/volwassenen worden geacht in een samenleving die gekenmerkt
wordt door individualisering, multiculturaliteit, snelle veranderingen en het
ontbreken van vanzelfsprekende waarden zich te kunnen redden, zich flexibel
te kunnen bewegen. Dit vraagt competenties van een kind/persoon.
Belangrijk hierbij is dat het in deze cursus primair om het vergroten van
competenties van kinderen/volwassenen gaat. Daar waar de aandacht naar
de competentie van de opvoeder/begeleider gaat kan niet verwacht worden
dat studenten een overzicht hebben van de methoden die daarvoor gebruikt
kunnen worden. Het gaat hierbij om een reëel inzicht in diens competenties.
Ontwikkelingsopgave (-taak): een kind komt in de loop van zijn/haar
ontwikkeling voor een aantal taken te staan, die het moet voltooien.
Voorbeelden: een baby heeft als ontwikkelingsopgave het vormen van een
veilige gehechtheid. Een klein kind komt voor de ontwikkelingsopgave
autonomie te staan, wat zich op gedragsniveau in heel diverse gedragingen
kan uiten, zoals: zelfstandig kunnen eten, korte tijd alleen kunnen zijn,
zichzelf aan kunnen kleden. Het ideaalbeeld bestaat uit het op tijd voltooien
van de ontwikkelingsopgave, d.w.z. op de tijd die in de normale ontwikkeling
gebruikelijk is.
, Opvoedingsopgave: die opvoedingsgedragingen, die het optimaal leren en
beheersen van bepaalde ontwikkelingsopgaven mogelijk maken. Deze rol is
niet uitsluitend voorbehouden aan de ouders. Ook grootouders, leerkrachten
kunnen opvoedingsopgaven hebben. Opvoedingsopgaven kunnen als
complementair aan ontwikkelingsopgaven worden gezien. Voorbeelden: bij de
ontwikkelingstaak het vormen van een veilige gehechtheid hoort de
opvoedingsopgave het aanbieden van een sensitieve en responsieve
interactie. Bij de ontwikkelingsopgave het verwerven van autonomie hoort de
opvoedingsopgave: ruimte maar ook steun geven.
-De student kan beschermende en risicofactoren benoemen en deze
toepassen op een casus.
Risicofactor: die factor, die op welk niveau dan ook (op kindniveau (omdat het
een “wild” temperament heeft, op gezinsniveau (omdat de ouders aan het
scheiden zijn) op omgevingsniveau (omdat het kind in een klas zit waar
weinig veiligheid heerst en het zich moeilijk kan verweren) de
ontwikkelingstaak van het kind bedreigt.
Beschermende factor: die factor, die op welk niveau dan ook de
ontwikkelingstaak van het kind bevordert (bijv. een buurvrouw waar het kind
zijn verhaal kan doen wanneer de ouders aan het scheiden zijn, een
vermogen zich goed te concentreren, het feit dat het kind vlak in de buurt van
een voetbalvereniging woont, waar het zelfstandig heen kan en waar het veel
van zijn energie kwijt kan).
-De student kan de in hoofdstuk 2 van Feldman I en de les
behandelde ontwikkelings-theorieën beschrijven en toepassen op
een casus.
Psychodynamisch perspectief: Sigmund Freud, Erik Erikson. Gedrag wordt ons
hele leven gemotiveerd door innerlijke, onbewuste krachten die uit onze
kindertijd stammen en waarover we weinig controle hebben.
De psychoanalytische theorie van Freud gaat ervan uit dat onbewuste
krachten bepalend zijn voor iemands persoonlijkheid en gedrag. Volgens
Freud heeft de persoonlijkheid drie aspecten: id, ego en superego. Het id is
het primitieve, ongeorganiseerde, aangeboren deel van de persoonlijkheid dat
aanwezig is bij de geboorte. Primitieve driften: honger, seks, agressie en
irrationele impulsen. Het id opereert vanuit het genotprincipe. Het ego is het
rationele en redelijke deel van de persoonlijkheid. Het is een buffer tussen de
echte wereld en het primitieve id. Het ego opereert vanuit het
realiteitsprincipe. Het superego is iemands geweten en maakt het
onderscheid tussen goed en kwaad.