De stelling: “Alle kennis is geconstructuurd” kan je vanuit meerdere perspectieven bekijken. Ten
eerste bestaat kennis uit feiten. Hierbij heb je feiten op basis van uitspraken en op basis van
observatie. Echter, feiten op basis van observatie heeft grote problemen. Ten eerste betekent het
niet als mensen naar hetzelfde object kijken zij hetzelfde waarnemen. Het gaat meer om dat wat
men ziet. De verwerking van het zien van het object bepaalt het eindresultaat en dit verschilt van
mens tot mens. Het hangt namelijk af van eerdere ervaringen. Zo kan iemand bij optische illusies bijv.
een oude vrouw zien en een ander een jonge vrouw. Beide zijn dan waar, maar welke heeft dan de
prioriteit boven de ander? Of heeft volgens Phillips en Burbules geen enkele bron van kennis
autoriteit boven de ander? Maar als je je kennis gebaseerd op observaties wie van de twee heeft dan
gelijk? Of bestaat er in dit geval dan geen waarheid?
Ten tweede beïnvloedt onze kennis hoe wij objecten en dergelijke waarnemen. Zo kan ik samen met
een bioloog kijken naar verschillende dieren. Echter, wij zien niet hetzelfde. Ik kan namelijk niets met
mijn observatie, terwijl een bioloog er kaas van heeft gegeten. Hierdoor kan hij uitspraken over zijn
observatie doen, terwijl ik dat niet kan.
Daarnaast is het ook maar de vraag of feiten een stevige en betrouwbare basis hebben. Verschillende
observanten kunnen namelijk verschillende perceptie hebben. Daarnaast moet je ook voorzichtig zijn
met voortbouwen op eerdere kennis. Als B in alle observaties die je hebt gedaan voorafgaat aan A
betekent dat niet dat dat altijd zo is. Volgens Hume zijn wij een soort van psychologisch
geconditioneerd. Wij verwachten dat een regel uit het verleden ook bestaat in de toekomst,
simpelweg omdat het in het verleden waar was. Echter, deze verwachting is niet gerechtvaardigd.
Daarnaast stelt Hume ook dat als onze kennis alleen gebaseerd is op ervaring, wij eigenlijk geen
kennis hebben over dingen die wij niet hebben ervaren.