Geschiedenis h5
Tijdvak 9
Tijd van wereldoorlogen
1900-1950 (1e helft 20e eeuw)
Moderne tijd (1800-nu)
Paragraaf 1
Oorlogseconomie in de VS
De overheid o.l.v. president Wilson, bemoeit zich tijdens WO1 sterk met de economie, met name in
oorlogsproductie. >
Veel kritiek op Wilson die de verkiezingen in 1920 verliest. Republikein Harding wordt de nieuwe
president.
Warren Gamaliel Harding
= Republikeinse president (1920-1923 (dood))
Terug naar vooroorlogse situatie
= Geen inmenging van de overheid in economie.
= politiek van isolationisme (geen bemoeienis met het buitenland)
De jaren 20
= Roaring twenties
Periode van welvaart en vernieuwing op sociaal, economisch en politiek gebied in de VS.
Industrieel-Urbane samenleving
Groeiende steden>
Toename bevolking:
= dalende sterftecijfer
= trek van platteland naar steden
= wolkenkrabbers
Bedrijven/ kantoren
= Rustige buitenwijken
Wonen
Groeiende steden
Toename bevolking>
= Great Migration
, Ongeveer 1,5 miljoen afro-Amerikanen trokken van het zuiden naar het noorden van de VS, op zoek
naar werk en minder racisme.
Mechanisatie en lopende band
Efficiëntere, goedkopere (massa) productie zorgt voor lagere prijzen
Status wordt ontleed aan bezit en het steeds meer kopen van vooral luxe goederen
Vooral in de steden ontstaat daar door een consumptie maatschappij (= dingen kopen die niet nodig
zijn)
Het platteland is behoudend en ziet alle vernieuwingen als bedreigend voor de bestaande
samenleven.
Problemen:
1. Sociale ellende
Drankgebruik werd gezien als oorzaak toename van armoede en criminaliteit
Oplossing: drooglegging
1920: productie van drank en verkoop werd verboden>
Georganiseerde misdaad (maffia) neemt juist toe.
2. Conservatisme
= het christelijk geloof bepaalt veel keuzes.
= evolutieleer onbespreekbaar in veel deelstaten.
3. Groeiende tegenstelling arm en rijk
= arbeiders en boeren profiteren niet van de welvaart
4. Segratie, discriminatie en racisme
Voorzieningen (scholen, huizen, alles) van afro-Amerikanen werden wettelijk gescheiden van die voor
de blanken.
= blanken en afro-Amerikanen leefden gescheiden van elkaar.
= Groei Ku Klux Klan
= national origings acts (1924)
Ook gericht tegen migratie uit Azië, zuid- en oost Europa.
5. Enorme angst voor het communisme
= gezien als bedreiging van het kapitalisme
= Red scare jacht op het communisten
Tijdvak 9
Tijd van wereldoorlogen
1900-1950 (1e helft 20e eeuw)
Moderne tijd (1800-nu)
Paragraaf 1
Oorlogseconomie in de VS
De overheid o.l.v. president Wilson, bemoeit zich tijdens WO1 sterk met de economie, met name in
oorlogsproductie. >
Veel kritiek op Wilson die de verkiezingen in 1920 verliest. Republikein Harding wordt de nieuwe
president.
Warren Gamaliel Harding
= Republikeinse president (1920-1923 (dood))
Terug naar vooroorlogse situatie
= Geen inmenging van de overheid in economie.
= politiek van isolationisme (geen bemoeienis met het buitenland)
De jaren 20
= Roaring twenties
Periode van welvaart en vernieuwing op sociaal, economisch en politiek gebied in de VS.
Industrieel-Urbane samenleving
Groeiende steden>
Toename bevolking:
= dalende sterftecijfer
= trek van platteland naar steden
= wolkenkrabbers
Bedrijven/ kantoren
= Rustige buitenwijken
Wonen
Groeiende steden
Toename bevolking>
= Great Migration
, Ongeveer 1,5 miljoen afro-Amerikanen trokken van het zuiden naar het noorden van de VS, op zoek
naar werk en minder racisme.
Mechanisatie en lopende band
Efficiëntere, goedkopere (massa) productie zorgt voor lagere prijzen
Status wordt ontleed aan bezit en het steeds meer kopen van vooral luxe goederen
Vooral in de steden ontstaat daar door een consumptie maatschappij (= dingen kopen die niet nodig
zijn)
Het platteland is behoudend en ziet alle vernieuwingen als bedreigend voor de bestaande
samenleven.
Problemen:
1. Sociale ellende
Drankgebruik werd gezien als oorzaak toename van armoede en criminaliteit
Oplossing: drooglegging
1920: productie van drank en verkoop werd verboden>
Georganiseerde misdaad (maffia) neemt juist toe.
2. Conservatisme
= het christelijk geloof bepaalt veel keuzes.
= evolutieleer onbespreekbaar in veel deelstaten.
3. Groeiende tegenstelling arm en rijk
= arbeiders en boeren profiteren niet van de welvaart
4. Segratie, discriminatie en racisme
Voorzieningen (scholen, huizen, alles) van afro-Amerikanen werden wettelijk gescheiden van die voor
de blanken.
= blanken en afro-Amerikanen leefden gescheiden van elkaar.
= Groei Ku Klux Klan
= national origings acts (1924)
Ook gericht tegen migratie uit Azië, zuid- en oost Europa.
5. Enorme angst voor het communisme
= gezien als bedreiging van het kapitalisme
= Red scare jacht op het communisten