en jeugdbeleid
Hoofdstuk 1
1.1 jeugdbeleid en jeugdzorgbeleid
Jeugdbeleid is al het overheidshandelen, al dan niet samenhangend, bedoeld of onbedoeld,
dat invloed heeft op de maatschappelijke positie van jeugdigen. (Kruis, 1993)
Jeugdbeleid is het totaal aan inspanningen die jeugdigen ondersteunen in hun ontwikkeling.
Alle beleid is jeugdbeleid. (Hermanns en Van Montfoort, 2007)
Beleid betreft strategieën en doelstellingen op een bepaald terrein, welke doelen moeten
worden bereikt, welke voorzieningen op welke niveaus moeten worden ingericht, enz.
Het jeugdbeleid wordt vooral op verschillende overheidsniveaus gemaakt en uitgevoerd.
Eerstverantwoordelijke ministeries voor jeugdzorg:
- ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport.
- Ministerie van veiligheid en justitie.
Andere betrokkenen:
- Zorgverzekeraars en de 28 zorgkantoren.
- Branchevereniging Jeugdzorg Nederland.
- Interprovinciaal Overleg. (IPO)
- Vereniging van Nederlandse Gemeenten. (VNG)
- Actiz.
- GGZ-Nederland.
- De VOBC-IVG. (branchevereniging van IVG-instellingen)
- Zorgverzekeraars Nederland.
- Enz.
De jeugdzorg wordt – tot 1 januari 2015 – door verschillende partijen bestuurd en
gefinancierd.
Over de hele breedte van jeugdzorg en jeugdbeleid hebben we te maken met ten minste tien
verschillende wetten:
- Wet op de jeugdzorg.
- Wet maatschappelijke ondersteuning.
- Wet collectieve preventie volksgezondheid.
- Burgerlijk wetboek.
- Wetboek van strafrecht.
- Beginselen wet justitiële jeugdinrichtingen.
- Algemene wet bijzondere ziektekosten.
- Zorgverzekeringswet.
- Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.
- Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg.
- Kwaliteitswet zorginstellingen.
Er is een complex stelsel gegroeid dat moeilijkheden geeft bij hulpverlening aan kinderen en
gezinnen waar meerdere problemen tegelijkertijd spelen.
, Jeugdzorg is na de tweede wereldoorlog sterk gegroeid en er is een stevige institutie
ontstaan die nauw gelieerd is aan professionalisering. (geen vrijwilligers meer)
Waar een kind hulp krijgt, in welke deelsector, hangt vaak af van toevalligheden. Eerste
stempel bepaald zijn route.
Samenwerking tussen verschillende disciplines en sectoren is vaak noodzakelijk, maar wordt
niet gefinancierd. ‘moeilijke’ klanten worden graag doorverwezen.
Het huidige financieringssysteem bevat geen enkele prikkel om meer jeugdigen te helpen
met preventieve voorzieningen.
De financiële stakeholders maken tezamen het jeugdbeleid en jeugdzorgbeleid. Er is naar
gestreefd om een samenhangend jeugdbeleid te realiseren, maar de manier van omgang
heeft soms meer weg van een competentiestrijd.
Twee doelen van het jeugdbeleid:
- De ontwikkeling van kinderen en jongeren zo optimaal en ongestoord mogelijk te
laten verlopen.
- Schept mogelijkheden om bij dreigende of reeds geconstateerde scheefgroei
adequaat in te grijpen.
Het ‘algemeen jeugdbeleid’ wordt ook wel jeugdwelzijnsbeleid genoemd.
Het Nederlandse jeugdbeleid staat bekend als zwaarmoedig: het richt zich vooral op
problemen en heeft weinig oog voor de jeugdigen waar het goed mee gaat. Te weinig
aandacht voor het stimuleren en ondersteunen van de normale ontwikkeling van de jeugd.
Positief jeugdbeleid investeert in opvoeding, ontwikkeling en burgerschap, dat juist
kansen wil bieden aan de jeugd. Het bevorderen van mogelijkheden, kansen en talenten van
alle jeugdigen. Doel: jongeren het heft in eigen handen laten nemen.
Jeugdbeleid wordt gemaakt in een breed krachtenveld waarin vaak een wetenschappelijk
argument niet doorslaggevend is. Politieke en publieke legitimiteit zijn bepalend.
Vier regelingen die ouders financieel ondersteunen:
- Kinderbijslag.
- Kindgebonden budget.
- Combinatiekorting.
- Kinderopvangtoeslag.
Vroeger: instituties als kerk, staat, gezin en maatschappelijke organisaties bepaalden
keuzes.
Door de secularisering na de Tweede Wereldoorlog, de opkomst van de individualisering
vanaf de jaren 60 vorige eeuw en de emancipatie zijn onderlinge verhoudingen minder
duidelijk bepaald. Waarden en normen worden steeds minder door anderen bepaald.
Er is sprake van een verschuiving van bevelshuishouden naar onderhandelingshuishouding.
Sociale systemen zoals gezinnen zijn in hun functioneren op elektronische systemen gaan
lijken: hoog gespecialiseerd, hoog presterend, maar zeer kwetsbaar voor storingen en
stoornissen. (Schnabel, 1991)
1.2
Kenmerkend voor het jeugdbeleid: oriëntatie op het zorgconcept: denken in zorgstructuren,
in afbakening van verantwoordelijkheden, oriëntatie op de burger in problemen.