Paragraaf 1.1:
Gedrag is alles wat dieren of mensen doen en laten. Gedrag is aangepast aan de
leefomstandigheden. Het paringsgedrag is het gedrag wat dieren of mensen uiten als
ze willen gaan paren; het heeft een vast patroon. Als je door hormonen in de stemming
komt om te paren, is een hormoon dus een voorbeeld van een inwendige prikkel (een
prikkel die van binnenuit komt). Een uitwendige prikkel (een prikkel die van buitenaf
komt) is iets wat je ziet; b voorbeeld het uiterl k van de ander.
Paringsgedrag ontstaat door een combinatie van in- en uitwendige prikkels, de
motiverende factoren. Elk van deze prikkels verhoogt de motivatie (de bereidheid om
een gedrag uit te voeren). Zodra er genoeg motivatie is en het boven de
drempelwaarde komt, is de partner bereid om te paren. De
drempelwaarde is de hoogte van de motivatie door
prikkel(s), die leidt tot een bepaald gedrag: een respons.
De samenhangende onderdelen van gedrag z n
gedragssystemen. Elk gedragssysteem is op te splitsen in
aparte eenheden, gedragseenheden. Gedragseenheden
komen vaak in een vaste volgorde voor: de gedragsketen
(zie ook bron 2, pagina 12).
Door wilde dieren te bestuderen kan je het natuurl ke
gedrag van die dieren in de kaart brengen. De functie van
dat gedrag kan b voorbeeld z n het overleven van het
individu (eten, drinken), of het overleven van de soort (voortplanten, jongen
verzorgen). Dieren uiten ook sociaal gedrag, gedrag gericht op het leven in een groep.