Samenvatting kennisbasis taal
https://flashcards.studysmartwithchris.com/nl/search-flashcards/?q=semantische+aspect
DOMEIN MONDELINGE TAALVAARDIGHEID
Luisterdoelen:
- iets te weten willen komen
- een gevoel willen ondergaan
- een mening willen vormen
- een handeling willen uitvoeren
- een spel willen spelen
Luisterstrategieën:
- Globaal luisteren
- Intensief luisteren
- gericht/selecterend luisteren
- kritisch luisteren
- Begrijpend luisteren
Spreekdoelen
- Informeren
- Gevoelens losmaken
- Overtuigen
- Aanzetten tot actie
- Amuseren
- Relatie bevestigen
Spreekstrategieën/taalhandelingen
- Uitleggen, vertellen, aanwijzen voordoen – doel: informeren
- Ervaring vertellen, veel gebaren, eigen gevoel beschrijven – doel:
Gevoelens losmaken
Spreekstrategieën/taalhandelingen
- Uitleggen, vertellen, aanwijzen voordoen – doel: informeren
- Ervaring vertellen, veel gebaren, eigen gevoel beschrijven – doel:
Gevoelens losmaken
- Argumenten geven, tegenargumenten bestrijden, gevolgen handelen
laten zien – doel: Overtuigen
-Actie beschrijven, rollen beschrijven, positief resultaat benadrukken –
doel: Aanzetten tot actie
- Verzonnen werkelijkheid beschrijven, personages laten spreken en
denken, humor inzetten – doel: amuseren
- Waardering uitspreken, instemmen, doorvragen – doel: Relatie
bevestigen
,Sociale taalfuncties:
- Zelfhandhaving: Zichzelf verdedigen of bezit beschermen ‘Ik wil
limonade’.
- Zelfsturing: Eigen handelingen met woorden ordenen of plannen
aankondigen. ‘En nu zet ik er nog een blokje op.’
- Sturing van anderen: Beïnvloeden van gedrag naar anderen. ‘En toen
was jij de poltieagent.’
- Structurering van het gesprek: ‘Mag ik even wat zeggen of mag ik nu?’
Cognitieve taalfuncties:
- Rapporteren: Verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt.
(etiketteren, beschrijven, vergelijken)
- Redenen: Beschrijven waarin een extra denkstap wordt verwoord.
(chronologisch ordenen, concluderen, oplossen, oorzaak-gevolg.
- Projecteren: Verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van iemand
anders.
Ordening in mate van complexiteit:
1. Rapporten: alleen opschrijven wat er letterlijk gebeurt
2. Redeneren: Extra denkstap toevoegen
3. Projecteren: Verplaatsen in iemand anders.
Taalwerving:
- Semantische aspect: Verwijzing naar de betekenis van taal en de
werkelijkheid die buiten de taal ligt.
- Fonologische aspect: Onderscheiden van vormen van klanken en
klankcombinaties
- Morfologisch aspect: Opbouw van woorden, morfemen = kleine betekenis
dragende eenheden in een woord.
- Syntactische aspect: Opbouw van zinnen, woordsoorten, woordgroepen
en zinsdelen
- Pragmatische aspect: Taalgebruik regels
Creatieve constructietheorie: Aangeboren taalvermogen
Interactionele benadering: Taalaanbod door omgeving
Taalontwikkelingsfasen
Prelinguale of preverbale fase (0-1):
- huilen (eerste 6 weken);
- vocaliseren (6-20 weken);
- vocaal spel (4-6 maanden);
- brabbelfase (vanaf 7 maanden).
, Linguale of talige fase:
- vroeglinguale periode(1-2,5 jaar): eenwoordzin, tweewoordzin,
meerwoordzin;
Differentiatiefase(2,5-5 jaar): explosieve ontwikkeling waarin reeds
verworven aspecten worden uitgebouwd en verfijnd, en nieuwe aspecten
aan bod komen;
Voltooiingsfase (5 jaar en ouder): het kind bezit de bouwstenen, voor
mondelinge taalvaardigheid komen er geen nieuwe aspecten meer bij. De
puntjes worden op de i gezet.
Tweede taalontwikkeling
Verschil eerste en tweedetaalverwerving
Taalkennis: Te weinig kennis van de taal, doordat het in de andere taal
anders is.
Tijd: Tweede taalverwerving duurt over het algemeen langer door het
weinig gebruiken en oefenen van de taal.
Simultane tweetaligheid: Twee talen gelijktijdig worden verworven, tot 3
jaar
Successieve tweetaligheid: tweede taal wordt verworven na het derde
levensjaar. Tweede taal wordt verworven na de eerste taal.
Interferentiefouten: Fouten maken die te maken hebben met kennis. 2
talen door elkaar halen.
Communicatieve competentie:
- Communicatieve competentie: Vermogen van het kiezen van een
interactie van het beschikbare communicatieve gedrag.
- Grammaticale competentie: De taalgebruiker beschikt over fonologische
en syntactische vaardigheden en over adequate woordenschat.
- Tekstuele competentie: Vaardig zijn in doorzien van de opbouw van
teksten en deze kunnen structureren.
- Strategische competentie: Strategieën hanteren om de communicatieve
doelen te bereiken.
- Functionele competentie: Taalgebruik aanpassen aan specifieke
contexten.
https://flashcards.studysmartwithchris.com/nl/search-flashcards/?q=semantische+aspect
DOMEIN MONDELINGE TAALVAARDIGHEID
Luisterdoelen:
- iets te weten willen komen
- een gevoel willen ondergaan
- een mening willen vormen
- een handeling willen uitvoeren
- een spel willen spelen
Luisterstrategieën:
- Globaal luisteren
- Intensief luisteren
- gericht/selecterend luisteren
- kritisch luisteren
- Begrijpend luisteren
Spreekdoelen
- Informeren
- Gevoelens losmaken
- Overtuigen
- Aanzetten tot actie
- Amuseren
- Relatie bevestigen
Spreekstrategieën/taalhandelingen
- Uitleggen, vertellen, aanwijzen voordoen – doel: informeren
- Ervaring vertellen, veel gebaren, eigen gevoel beschrijven – doel:
Gevoelens losmaken
Spreekstrategieën/taalhandelingen
- Uitleggen, vertellen, aanwijzen voordoen – doel: informeren
- Ervaring vertellen, veel gebaren, eigen gevoel beschrijven – doel:
Gevoelens losmaken
- Argumenten geven, tegenargumenten bestrijden, gevolgen handelen
laten zien – doel: Overtuigen
-Actie beschrijven, rollen beschrijven, positief resultaat benadrukken –
doel: Aanzetten tot actie
- Verzonnen werkelijkheid beschrijven, personages laten spreken en
denken, humor inzetten – doel: amuseren
- Waardering uitspreken, instemmen, doorvragen – doel: Relatie
bevestigen
,Sociale taalfuncties:
- Zelfhandhaving: Zichzelf verdedigen of bezit beschermen ‘Ik wil
limonade’.
- Zelfsturing: Eigen handelingen met woorden ordenen of plannen
aankondigen. ‘En nu zet ik er nog een blokje op.’
- Sturing van anderen: Beïnvloeden van gedrag naar anderen. ‘En toen
was jij de poltieagent.’
- Structurering van het gesprek: ‘Mag ik even wat zeggen of mag ik nu?’
Cognitieve taalfuncties:
- Rapporteren: Verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt.
(etiketteren, beschrijven, vergelijken)
- Redenen: Beschrijven waarin een extra denkstap wordt verwoord.
(chronologisch ordenen, concluderen, oplossen, oorzaak-gevolg.
- Projecteren: Verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van iemand
anders.
Ordening in mate van complexiteit:
1. Rapporten: alleen opschrijven wat er letterlijk gebeurt
2. Redeneren: Extra denkstap toevoegen
3. Projecteren: Verplaatsen in iemand anders.
Taalwerving:
- Semantische aspect: Verwijzing naar de betekenis van taal en de
werkelijkheid die buiten de taal ligt.
- Fonologische aspect: Onderscheiden van vormen van klanken en
klankcombinaties
- Morfologisch aspect: Opbouw van woorden, morfemen = kleine betekenis
dragende eenheden in een woord.
- Syntactische aspect: Opbouw van zinnen, woordsoorten, woordgroepen
en zinsdelen
- Pragmatische aspect: Taalgebruik regels
Creatieve constructietheorie: Aangeboren taalvermogen
Interactionele benadering: Taalaanbod door omgeving
Taalontwikkelingsfasen
Prelinguale of preverbale fase (0-1):
- huilen (eerste 6 weken);
- vocaliseren (6-20 weken);
- vocaal spel (4-6 maanden);
- brabbelfase (vanaf 7 maanden).
, Linguale of talige fase:
- vroeglinguale periode(1-2,5 jaar): eenwoordzin, tweewoordzin,
meerwoordzin;
Differentiatiefase(2,5-5 jaar): explosieve ontwikkeling waarin reeds
verworven aspecten worden uitgebouwd en verfijnd, en nieuwe aspecten
aan bod komen;
Voltooiingsfase (5 jaar en ouder): het kind bezit de bouwstenen, voor
mondelinge taalvaardigheid komen er geen nieuwe aspecten meer bij. De
puntjes worden op de i gezet.
Tweede taalontwikkeling
Verschil eerste en tweedetaalverwerving
Taalkennis: Te weinig kennis van de taal, doordat het in de andere taal
anders is.
Tijd: Tweede taalverwerving duurt over het algemeen langer door het
weinig gebruiken en oefenen van de taal.
Simultane tweetaligheid: Twee talen gelijktijdig worden verworven, tot 3
jaar
Successieve tweetaligheid: tweede taal wordt verworven na het derde
levensjaar. Tweede taal wordt verworven na de eerste taal.
Interferentiefouten: Fouten maken die te maken hebben met kennis. 2
talen door elkaar halen.
Communicatieve competentie:
- Communicatieve competentie: Vermogen van het kiezen van een
interactie van het beschikbare communicatieve gedrag.
- Grammaticale competentie: De taalgebruiker beschikt over fonologische
en syntactische vaardigheden en over adequate woordenschat.
- Tekstuele competentie: Vaardig zijn in doorzien van de opbouw van
teksten en deze kunnen structureren.
- Strategische competentie: Strategieën hanteren om de communicatieve
doelen te bereiken.
- Functionele competentie: Taalgebruik aanpassen aan specifieke
contexten.