Kennislijn menstheorie B Aantekeningen
2.1 ontwikkelingspsychologie
Ontwikkeling =
o Proces van groei en verandering dat wordt bepaald door de interactie tussen erfelijkheid en
omgeving.
o Gaat een leven lang door. De meeste aandacht gaat uit naar de kindertijd en adolescentie.
Ontwikkelingspsychologie = bestudeert de psychologische veranderingen bij toenemende leeftijd.
Opvoeden = het proces waarin een kind wordt gevormd naar de normen en waarden van de
opvoeders en de samenleving.
Psychosociaal functioneren.
Psyche = geest, ons denken, voelen en gedrag.
Sociaal = onze interactie met andere mensen.
o Opgroeien en ouder worden betekent je steeds opnieuw aanpassen aan veranderende
vermogens en verwachtingen van anderen.
Psychosociale ontwikkeling volgens Erikson (1963) (discontinue ontwikkeling)
o Mensen doorlopen 8 levensfasen van babytijd tot ouderdom.
o Iedere fase wordt afgesloten met een crisis, een ontwikkelingstaak die typisch is voor die
fase
o Als die taak onopgelost blijft of negatief afgesloten, loopt de ontwikkeling vast.
Ontwikkelingstaken volgens Erikson
Levensfase
1. Babyfase (0 – 1,5 jaar) ontwikkeltaak of crisis: vertrouwen vs. wantrouwen
o Veiligheid, geborgenheid vinden.
o Verzorgen
o Troosten
o Leiding nemen
o Spiegelen
2. Peutertijd (1,5 jaar – 3 jaar) ontwikkeltaak of crisis: autonomie vs schaamte en twijfel.
+ : ontwikkeling van zelfstandigheid. De wereld verkennen, dingen ‘zelf doen’ = autonomie
-: te veel kritiek of bescherming leidt tot twijfel aan zichzelf.
, 3. Kleutertijd (3-6 jaar) ontwikkeltaak of crisis: initiatief vs. Schuldgevoel.
+ : ontwikkeling van geweten, eigen initiatieven ontplooien, zelf dingen in gang zetten.
-: schuldgevoel door te hoge eisen en/of correcties
4. Schoolkind (6 jaar tot puberteit) ontwikkeltaak of crisis: vlijt versus minderwaardigheid.
+ : gevoelens en competentie en zelfvertrouwen (vlijt).
-: laag zelfbeeld, minderwaardig voelen door mislukkingen, te veel kritiek of te hoge eisen.
5. Adolescentie: (puberteit tot …..) ontwikkeltaak of crisis: identiteit versus rolverwarring.
o Een antwoord vinden op de vraag: wie ben ik?
o Identiteit = een doorleefd ik- gevoel dat eenheid aanbrengt in alle belevingen.
6. Jong-volwassenheid (21 jaar ……) ontwikkeltaak of crisis: intimiteit versus isolement.
+: aangaan van een intieme relatie.
o Trouwen/ samenwonen of hechte vriendschap.
o Jezelf open stellen voor anderen, kwetsbaar durven zijn.
-: eenzaamheid, isolement.
7. Middelbare leeftijd ( ontwikkeltaak of crisis: generativiteit versus egocentrisme.
+ : zorg dragen voor anderen, bijdragen aan de maatschappij = generativiteit
o gezin stichten
o carrière maken/ nieuwe ideeën voortbrengen
o vrijwilligerswerk
-: verveling, gebrek aan toekomst visie en frustratie = stagnatie/egocentrisme
8. ouderdom ontwikkeltaak en crisis: ik- integriteit versus wanhoop.
+: terugkijken op het leven met tevredenheid = ik- integriteit.
-: spijt, opnieuw willen beginnen = wanhoop
, 3 krachten van ontwikkeling
Nature = factoren die aangeboren zijn door aanleg/genen. ‘’het aard van het beestje’’
Nurture = factoren die aangeleerd zijn door sociale omgeving, opvoeding. ‘’de mens is maakbaar.’’
Rijping: veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld worden en waarop
omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
Continue verandering: geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau
voortvloeien uit die van de vorige niveaus. Continue verandering is kwantitatief.
Discontinue verandering: ontwikkeling in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert gedrag op dat
kwalitatief anders is dan gedrag in eerde stadia.
Rites de passage
(volwassen worden in andere culturen)
o Overgangsritueel, als je dit voorbij is ben je opeens volwassenen.
Biologische veranderingen: puberteit
o Hormonale turbulentie
o Groeispurt, lichamelijke processen die leiden tot vruchtbaarheid.
o Uiterlijk als bron van onzekerheid.
o Omgaan met seksuele verlangens en verliefdheid.
Hersenen onder constructie
o Executieve functies (uitvoerende functies) groeien tot je 22 ste in de voorkwab van de
hersenen aandacht, innerlijke spraak, flexibeek zijn, emotieregulatie. Werkgeheugen.
Time management, reflectie.
o Synaptic pruning dingen die niet meer belangrijk zijn worden uit de hersenen gehaald.
o Cognitieve ontwikkeling.
o Amygdala: wekker voor gevaar daardoor meer angsten
Losmaken van de vertrouwende binding.
o Meer gelijkwaardigheid
o De-idealisatie: de ouder valt van zijn voetstuk.
o Onderhandeling over regels
Leeftijdsgenoten en vrienden worden belangrijk
2.1 ontwikkelingspsychologie
Ontwikkeling =
o Proces van groei en verandering dat wordt bepaald door de interactie tussen erfelijkheid en
omgeving.
o Gaat een leven lang door. De meeste aandacht gaat uit naar de kindertijd en adolescentie.
Ontwikkelingspsychologie = bestudeert de psychologische veranderingen bij toenemende leeftijd.
Opvoeden = het proces waarin een kind wordt gevormd naar de normen en waarden van de
opvoeders en de samenleving.
Psychosociaal functioneren.
Psyche = geest, ons denken, voelen en gedrag.
Sociaal = onze interactie met andere mensen.
o Opgroeien en ouder worden betekent je steeds opnieuw aanpassen aan veranderende
vermogens en verwachtingen van anderen.
Psychosociale ontwikkeling volgens Erikson (1963) (discontinue ontwikkeling)
o Mensen doorlopen 8 levensfasen van babytijd tot ouderdom.
o Iedere fase wordt afgesloten met een crisis, een ontwikkelingstaak die typisch is voor die
fase
o Als die taak onopgelost blijft of negatief afgesloten, loopt de ontwikkeling vast.
Ontwikkelingstaken volgens Erikson
Levensfase
1. Babyfase (0 – 1,5 jaar) ontwikkeltaak of crisis: vertrouwen vs. wantrouwen
o Veiligheid, geborgenheid vinden.
o Verzorgen
o Troosten
o Leiding nemen
o Spiegelen
2. Peutertijd (1,5 jaar – 3 jaar) ontwikkeltaak of crisis: autonomie vs schaamte en twijfel.
+ : ontwikkeling van zelfstandigheid. De wereld verkennen, dingen ‘zelf doen’ = autonomie
-: te veel kritiek of bescherming leidt tot twijfel aan zichzelf.
, 3. Kleutertijd (3-6 jaar) ontwikkeltaak of crisis: initiatief vs. Schuldgevoel.
+ : ontwikkeling van geweten, eigen initiatieven ontplooien, zelf dingen in gang zetten.
-: schuldgevoel door te hoge eisen en/of correcties
4. Schoolkind (6 jaar tot puberteit) ontwikkeltaak of crisis: vlijt versus minderwaardigheid.
+ : gevoelens en competentie en zelfvertrouwen (vlijt).
-: laag zelfbeeld, minderwaardig voelen door mislukkingen, te veel kritiek of te hoge eisen.
5. Adolescentie: (puberteit tot …..) ontwikkeltaak of crisis: identiteit versus rolverwarring.
o Een antwoord vinden op de vraag: wie ben ik?
o Identiteit = een doorleefd ik- gevoel dat eenheid aanbrengt in alle belevingen.
6. Jong-volwassenheid (21 jaar ……) ontwikkeltaak of crisis: intimiteit versus isolement.
+: aangaan van een intieme relatie.
o Trouwen/ samenwonen of hechte vriendschap.
o Jezelf open stellen voor anderen, kwetsbaar durven zijn.
-: eenzaamheid, isolement.
7. Middelbare leeftijd ( ontwikkeltaak of crisis: generativiteit versus egocentrisme.
+ : zorg dragen voor anderen, bijdragen aan de maatschappij = generativiteit
o gezin stichten
o carrière maken/ nieuwe ideeën voortbrengen
o vrijwilligerswerk
-: verveling, gebrek aan toekomst visie en frustratie = stagnatie/egocentrisme
8. ouderdom ontwikkeltaak en crisis: ik- integriteit versus wanhoop.
+: terugkijken op het leven met tevredenheid = ik- integriteit.
-: spijt, opnieuw willen beginnen = wanhoop
, 3 krachten van ontwikkeling
Nature = factoren die aangeboren zijn door aanleg/genen. ‘’het aard van het beestje’’
Nurture = factoren die aangeleerd zijn door sociale omgeving, opvoeding. ‘’de mens is maakbaar.’’
Rijping: veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld worden en waarop
omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
Continue verandering: geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau
voortvloeien uit die van de vorige niveaus. Continue verandering is kwantitatief.
Discontinue verandering: ontwikkeling in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert gedrag op dat
kwalitatief anders is dan gedrag in eerde stadia.
Rites de passage
(volwassen worden in andere culturen)
o Overgangsritueel, als je dit voorbij is ben je opeens volwassenen.
Biologische veranderingen: puberteit
o Hormonale turbulentie
o Groeispurt, lichamelijke processen die leiden tot vruchtbaarheid.
o Uiterlijk als bron van onzekerheid.
o Omgaan met seksuele verlangens en verliefdheid.
Hersenen onder constructie
o Executieve functies (uitvoerende functies) groeien tot je 22 ste in de voorkwab van de
hersenen aandacht, innerlijke spraak, flexibeek zijn, emotieregulatie. Werkgeheugen.
Time management, reflectie.
o Synaptic pruning dingen die niet meer belangrijk zijn worden uit de hersenen gehaald.
o Cognitieve ontwikkeling.
o Amygdala: wekker voor gevaar daardoor meer angsten
Losmaken van de vertrouwende binding.
o Meer gelijkwaardigheid
o De-idealisatie: de ouder valt van zijn voetstuk.
o Onderhandeling over regels
Leeftijdsgenoten en vrienden worden belangrijk