Voorbereiding werkgroep 2 • Zelfstudie 5
1. Welke proteïne wordt gevormd bij Waldenström?
a. IgA
b. IgD
c. IgG
d. IgM
2. Hoe kan een acute hypercalciëmie behandeld worden?
3. Hoe kan multipel myeloom worden behandeld?
4. β2-microglobuline en albumine zijn prognostisch ongunstige factoren bij
multipel myeloom.
a. Hoog, hoog
b. Hoog, laag
c. Laag, hoog
d. Laag, laag
5. Wat zijn de 3 belangrijkste klinische verschijnselen van Waldenström?
6. Wat verwacht je eerder bij kinderen?
a. ALL
b. AML
7. Hoe wordt acute leukemie behandeld?
8. MDS kan genezen worden met chemotherapie.
a. Juist
b. Onjuist
9. Wat verwacht je bij een patiënt van middelbare leeftijd?
a. CLL
b. CML
GZC III → week 3 → vragen → 1
, AML, MDS en multipel myeloom • Werkgroep 2
10. Bij welke aandoeningen wordt een M-component gevormd?
11. Bij welke aandoening vindt stapeling van lichte ketens plaats?
a. Amyloïdose
b. Multipel myeloom
c. Waldenström
12. Wanneer wordt gesproken van MGUS?
13. Noem 3 spoedeisende verschijnselen bij multipel myeloom.
14. Waarmee kun je acute leukemie door een FLT3-mutatie behandelen?
a. Tyrosinekinaseremmer
b. Venetoclax
15. Welke aandoening kan alleen worden veroorzaakt door een mutatie van JAK2?
a. ET
b. Myelofibrose
c. PV
16. Wat remt JAK2?
a. Imatinib
b. Ruxolitinib
17. Hoe kan myelofibrose worden behandelde?
GZC III → week 3 → vragen → 2