1. Inleiding chronische aandoeningen
2. Artrose
3. COPD
4. Diabetes Mellitus
5. Diabetes Mellitus
6. Coronaire aandoeningen
1. Inleiding chronische aandoening
Anatomie = bestudering van inwendige en uitwendige structuren en de fysieke
relaties tussen lichaamsdelen. Kennis van anatomie noodzakelijk een chronische
aandoening te begrijpen.
Fysiologie = studie van levensfuncties van levende organisme = functioneren van
anatomische structuren (deze periode fysiologie A waarin hart en longen). Kennis
van fysiologie noodzakelijk om een chronische aandoening te begrijpen
Pathologie =ziekteleer: bestuderen van de effecten van ziekte op het
functioneren op organen of het lichaam.
Chronische ziekten = irreversibele aandoeningen zonder uitzicht op volledig
herstel met een relatief lange ziekteduur. Een chronische ziekte onderscheidt
zich verder door een langduren beroep op zorg.
Lange tijd is relatief: In Nederland wordt, afhankelijk van de ziekte, een termijn
van het aanhouden van de klacht van langer dan 6 weken tot 6 maanden
gehanteerd.
Er zijn diverse chronische ziekte te onderscheiden:
1. Levensbedreigende ziekte als kanker en beroerte
2. Aandoening die tot periodiek terugkerende klachten leiden zoals astma en
epilepsie
3. Aandoening die progressief verslechteren en invaliderend van aard zijn,
zoals reumatoïde artritis en chronisch hartfalen
4. Chronisch psychiatrisch aandoeningen
Nederland telt 5,3 miljoen (1/3 bevolking) met een chronische ziekte. Van de 65+
heeft 7-% chronische ziekte. (In totaal zijn er meer vrouwen dan mannen met een
chronische ziekte onder andere omdat meer oudere vrouwen zijn dan mannen).
Morbiditeit = ziektecijfer
Multi-morbiditeit: de algemene term voor het tijdens een bepaalde periode
optreden van meer dan één (chronische) ziekte van één individu.
5. Toeval: concurrente of co-occuring (je hebt COPD en rugklachten)
6. Cluster Multi-morbiditeit(= een statisch verband, zonder nadere
inhoudelijke verklaring spreken we van cluster-multi-morbiditeit) (artrose
+hart en vaatziekten, de ene ziekte vergroot de kans op de andere ziekte)
7. Causale multi-morbiditeit (twee ziekten kunnen eenzelfde risicofactor
hebben vb. overgewicht diabetes mellitus en artrose)
Een term die hiermee verwant is, is co-morbiditeit. Ook mensen met co
morbiditeit hebben meer dan één ziekte tegelijkertijd. Het verschil is dat co-
morbiditeit uitgaat van een extra aandoening bij mensen die al een ziekte
, hebben (een zogenaamde index-ziekte) (vaak gebruikt als term om aan geven
dat iemand buiten de aandoening ook een andere aandoening heeft) tijdens het
bewegen houd je geen rekening met deze aandoeningen
Multi morbiditeit heeft extra negatief effect op de kwaliteit van leven. Gemiddeld
genomen ervaren mensen met multi morbiditeit de kwaliteit van levens als
slechter dan mensen die aan één chronische ziekte lijden. Kwaliteit in leven
neemt in de loop van tijd ook sterker af dan mensen zonder multi morbiditeit.
Verklaring toename chronische aandoeningen:
8. Vergrijzing
9. Toenemende aandacht in de maatschappij voor chronische ziekte en
programma’s die in de huisartspraktijk zijn uitgevoerd om chronische
ziekte vroeg op te sporen en beter te begeleiden
10.Een effectievere behandeling en langere overleving van mensen met een
chronische ziekte (kanker bijvoorbeeld)
ICF international classification of functionning disablitity and health
WHO: om het functioneren van mensen te beschrijven is in 2001 de ICF
gepubliceerd. = een classificatie voor het beschrijven van het functioneren van
mensen inclusief factoren die op dat functioneren van invloed zijn.
ICF = een standaard taal en een schema voor de beschrijving van het menselijk
functioneren en hetgeen daarmee verband heeft.
Mens beschrijven in 3 perspectieven:
1. Lichaam
o Hoe goed functioneren bijvoorbeeld de gewrichten, het hart, de
bloedvaten, de hersenen en zenuwen, en de longen van een
persoon? Zijn ze onbeschadigd?
o Functies zijn de fysiologische en mentale eigenschappen van het
menselijk organisme
Functie van het oor = horen.
Functie van spieren = het leveren van spierkracht voor maken
van de beweging.
o Anatomische eigenschappen = de positie, aanwezigheid, vorm en
continuïteit van onderdelen van het menselijk lichaam, vb. vorm van
het oor, dikte of aanhechtingsplaats van een spier.
o Stoornis is een functie of anatomische eigenschap niet optimaal,
dan spreekt men van een stoornis. Het zijn afwijkingen in of verlies
in functie of anatomische eigenschappen, vb. stoornis in mobiliteit
van gewricht; spierkracht, uithoudingsvermogen etc.
2. Het menselijk handelen
o Welke activiteiten voert iemand zelf uit en welke zou hij zelf kunnen
of willen uitvoeren? Vb. activiteiten zijn onderdelen van iemand
handelen. Voorbeeld: zitten, schoonmaken, boodschappen enz.
o Beperkingen zijn moeilijkheden/problemen die iemand heeft met het
uitvoeren van activiteiten. Alleen op een aangepaste stoel kunnen
zitten, het schoonmaken niet lang genoeg kunnen volhouden
3. Participatie, deelname en maatschappelijk leven
o Kan iemand meedoen op alle levensterreinen (zoals, werk, gezin,
hobby) en doet hij/zij ook mee? Is iemand een volwaardig lid van de
maatschappij. Kan hij/zij deelnemen aan het verkeer, een eigen