Vraag 1
Eén van de problemen van de meritocratische samenleving die in het artikel van Swierstra en
Tonkens (2011) genoemd wordt is dat de maatschappelijke ongelijkheid te groot wordt. Is deze
ongelijkheid rechtvaardig volgens Rawls’ ‘difference principle’? Leg uit waarom wel of niet. En is
deze ongelijkheid rechtvaardig volgens de capabilitybenadering van Sen en Nussbaum? Leg uit
waarom wel of niet. En tenslotte, is deze ongelijkheid rechtvaardig volgens jou? Geef minstens drie
argumenten om je standpunt te onderbouwen.
Antwoord
Net zoals in een meritocratie loont het als men zich inzet voor de samenleving en zijn of haar
kansen benut. Ongelijkheid in de samenleving moet toegestaan worden, maar dan moet dit niet
ten kostte gaan van de minstbedeelden (Rothfusz, 2021). Hier staat het ‘difference principle’ van
Rawls voor. In het artikel van Swierstra en Tonkens (2011) wordt genoemd dat de
maatschappelijke ongelijkheid van de meritocratische samenleving te groot wordt en spreken ze
van een schaduwzijde. Volgens Rawls’ ‘difference principle’ is dit onrechtvaardig. Mensen die
succes hebben in het benutten van hen kansen, worden alsmaar beloond. Deze beloningen worden
niet beperkt, waardoor er verschillen ontstaan in de samenleving die de onsuccesvolle mensen, de
minstbedeelden, niet ten goede komen (Swierstra & Tonkens, 2011).
Volgens de capabilitybenadering van Sen en Nussbaum is de maatschappelijke ongelijkheid
onrechtvaardig. Zij stellen dat het onrechtvaardig is om iemands sociale positie te bepalen door
zijn of haar inspanning te meten. Volgens hen is het rechtvaardiger om te kijken naar iemands
capaciteiten. Echter wordt er in een meritocratische samenleving niet naar verdere capaciteiten
gekeken dan intelligentie en inspanning om iemands sociale positie te bepalen (van Pinxteren & de
Beer, 2016).
Ook ik vind de ongelijkheid onrechtvaardig. Ten eerste vind ik het onterecht dat iemands positie
bepaald wordt door diegene zijn intelligentie en inspanning te meten (van Pinxteren & de Beer,
2016). Hierdoor hebben slimme en hardwerkende mensen meer profijt aan een meritocratie.
Bovendien wordt je intelligentie en houding deels erfelijk en door opvoeding bepaald, waardoor
vele kinderen op dezelfde positie als hun ouders terechtkomen (van Pinxteren & de Beer, 2016).
Ten slotte zoeken mensen van dezelfde sociale posities elkaar op en gaan relaties met elkaar aan.
Al met al wil ik hiermee zeggen dat dit allemaal leidt tot groei in ongelijkheid en de creatie van een
gelaagde samenleving (Swierstra & Tonkens, 2008).
Eén van de problemen van de meritocratische samenleving die in het artikel van Swierstra en
Tonkens (2011) genoemd wordt is dat de maatschappelijke ongelijkheid te groot wordt. Is deze
ongelijkheid rechtvaardig volgens Rawls’ ‘difference principle’? Leg uit waarom wel of niet. En is
deze ongelijkheid rechtvaardig volgens de capabilitybenadering van Sen en Nussbaum? Leg uit
waarom wel of niet. En tenslotte, is deze ongelijkheid rechtvaardig volgens jou? Geef minstens drie
argumenten om je standpunt te onderbouwen.
Antwoord
Net zoals in een meritocratie loont het als men zich inzet voor de samenleving en zijn of haar
kansen benut. Ongelijkheid in de samenleving moet toegestaan worden, maar dan moet dit niet
ten kostte gaan van de minstbedeelden (Rothfusz, 2021). Hier staat het ‘difference principle’ van
Rawls voor. In het artikel van Swierstra en Tonkens (2011) wordt genoemd dat de
maatschappelijke ongelijkheid van de meritocratische samenleving te groot wordt en spreken ze
van een schaduwzijde. Volgens Rawls’ ‘difference principle’ is dit onrechtvaardig. Mensen die
succes hebben in het benutten van hen kansen, worden alsmaar beloond. Deze beloningen worden
niet beperkt, waardoor er verschillen ontstaan in de samenleving die de onsuccesvolle mensen, de
minstbedeelden, niet ten goede komen (Swierstra & Tonkens, 2011).
Volgens de capabilitybenadering van Sen en Nussbaum is de maatschappelijke ongelijkheid
onrechtvaardig. Zij stellen dat het onrechtvaardig is om iemands sociale positie te bepalen door
zijn of haar inspanning te meten. Volgens hen is het rechtvaardiger om te kijken naar iemands
capaciteiten. Echter wordt er in een meritocratische samenleving niet naar verdere capaciteiten
gekeken dan intelligentie en inspanning om iemands sociale positie te bepalen (van Pinxteren & de
Beer, 2016).
Ook ik vind de ongelijkheid onrechtvaardig. Ten eerste vind ik het onterecht dat iemands positie
bepaald wordt door diegene zijn intelligentie en inspanning te meten (van Pinxteren & de Beer,
2016). Hierdoor hebben slimme en hardwerkende mensen meer profijt aan een meritocratie.
Bovendien wordt je intelligentie en houding deels erfelijk en door opvoeding bepaald, waardoor
vele kinderen op dezelfde positie als hun ouders terechtkomen (van Pinxteren & de Beer, 2016).
Ten slotte zoeken mensen van dezelfde sociale posities elkaar op en gaan relaties met elkaar aan.
Al met al wil ik hiermee zeggen dat dit allemaal leidt tot groei in ongelijkheid en de creatie van een
gelaagde samenleving (Swierstra & Tonkens, 2008).