- Paragraaf 1 Het wereldvoedselvraagstuk
Leerdoelen
● Je weet wat het wereldvoedselvraagstuk inhoudt
● Je kunt de ruimtelijke spreiding van ondervoeding in de wereld beschrijven
Voedselproductie is toegenomen door
● Schaalvergroting, mechanisering, irrigatie, kruising, selectie van gewassen,
kunstmest, bestrijdingsmiddelen, krachtvoer, antibiotica
Voedselzekerheid = als iedereen op elk moment zowel fysiek (oorlog,
infrastructuur, klimaat) als economisch toegang heeft tot voldoende voedsel
(genoeg energie, voedingsstoffen, voedselveiligheid, culturele voorkeuren)
Kwantitatieve honger = mensen krijgen te weinig energie binnen (leidt tot ziekte,
groei- en ontwikkelingsachterstanden, lagere onderwijsdeelname en lonen)
Kwalitatieve honger = het voedsel dat mensen consumeren bevat te weinig
voedingsstoffen
In toekomst zullen meer monden gevoed moeten worden en mensen zullen meer
welvaart kennen en dus meer voedsel consumeren
- Paragraaf 2 De economische wereldorde
Leerdoelen
● Je kunt uitleggen welke rol economische globalisering speelt bij het
wereldvoedselvraagstuk
● Je kunt uitleggen welke rol economische beschermingsmaatregelen spelen
bij het wereldvoedselvraagstuk
Koloniën
● Gebruikt door Europese overheersers voor agrarische producten en
plantages
● Inheemse bevolking verdreven naar gebieden die minder geschikt waren voor
landbouw
● Industriële revolutie (1850) = afzetmarkt voor industrieproducten
-> Minder ontwikkelde landen waren leverancier van grondstoffen en
landbouwproducten, westerse landen leverden industrieproducten
-> Op plantages exportgeoriënteerde landbouw in handen van buitenlandse
bedrijven of binnenlandse grootgrondbezitters, geen winst voor land zelf
1
, Comparatieve voordelen = omstandigheden die ervoor zorgen dat een land
vergeleken met andere landen bepaalde producten beter of goedkoper kan
produceren (klimaat, kennis, loonpeil, infrastructuur)
● Optimaal gebruik maken door verwaarloosbare vervoerskosten
● Zorgt voor enorme transportstromen van handelsgewassen over de wereld
● Zorgt voor regionale specialisatie, voor perifere landen die afhankelijk zijn
van landbouw niet altijd gunstig, want prijzen schommelen en zijn laag
vergeleken met industrieproducten, oogst is niet altijd goed en nadruk komt
op export te liggen
Geglobaliseerde landbouw = de productie, verwerking, distributie en verkoop van
gewassen vinden plaats in een wereldwijd netwerk
● Multinationale ondernemingen bepalen prijs, locatie en afzetmarkten
● Negatief voor periferie, want producenten ontvangen lage prijzen voor hun
gewassen en consumenten moeten relatief hoge prijzen betalen voor de
eindproducten
Handelspolitiek gebaseerd op protectionisme = landen nemen binnenlandse
voedselproductie en inkomens van boeren in bescherming
● Importheffingen = belemmeren import van concurrenten
● Landbouwsubsidies = ondersteunen direct inkomen van boeren
Dumping = winstmarge in landbouw is klein waardoor centrumlanden meer
produceren dan nodig is en ze voedsel voor extreem lage prijzen aanbieden, voor
periferie is dit goedkope import, voordelig voor de voedselvoorziening, maar
nadelig voor de binnenlandse voedselproductie, want lokale boeren kunnen niet
concurreren met deze goedkope import
- Paragraaf 3 Een verdelingsvraagstuk
Leerdoelen
● Je begrijpt dat het wereldvoedselvraagstuk ook een maatschappelijk
verdelingsvraagstuk is
● Je begrijpt dat het wereldvoedselvraagstuk te maken heeft met verschillen
in landbezit
In periferie per hectare minder voedsel geproduceerd dan in centrum en periferie is
plattelandsbevolking afhankelijk van traditionele landbouw, lage en onzekere
opbrengst, boeren hebben te weinig kennis en middelen om efficiënter en
grootschaliger te produceren
Meeste voedsel gaat naar rijke mensen en overgewicht is hier een groot probleem
2